Nederlands-Indië deed in 1938 als eerste Aziatische land mee aan het WK voetbal
Het Indonesische voetbal is sterk beïnvloed door historische en koloniale factoren. Dat bleek tijdens het WK van 1938.
Het elftal van Nederlands-Indië in 1938 in het Olympisch Stadion. Foto Henk Valks via het Nationaal Archief
Door Jorren van Dongen
De huidige naturalisatiepolitiek binnen het Indonesische voetbal lijkt op het eerste gezicht een modern verschijnsel. De voetbalbond Persatuan Sepakbola Seluruh Indonesia (PSSI) maakt tegenwoordig regelmatig gebruik van Nederlandse spelers met Indonesische achtergronden om het nationale elftal te versterken.
Indonesische spelers kregen op het veld soms bewondering, maar werden maatschappelijk nog niet volledig als gelijkwaardig beschouwd
De historische wortels van deze internationale en multi-etnische samenstelling liggen veel verder terug in de geschiedenis van het voetbal op de Indonesische archipel. Al tijdens de koloniale periode kende het een sterk gemengd karakter. In steden als Batavia, Soerabaja en Bandung speelden Europese, Indo-Europese, Chinese en inheemse spelers regelmatig samen binnen voetbalteams.
Het nationale elftal van Nederlands-Indië, dat deelnam aan het Wereldkampioenschap van 1938 in Frankrijk, vormt daarvan misschien wel het bekendste voorbeeld. Hoewel er toen nog geen sprake was van naturalisatie zoals tegenwoordig, laat dit elftal wel zien dat voetbal in Indonesië al vroeg verbonden was met verschillende culturele achtergronden. Dat had uiteraard grotendeels te maken met de Nederlandse koloniale aanwezigheid in de archipel.
In den beginne
Voetbal werd aan het einde van de negentiende eeuw geïntroduceerd op de eilanden door Europeanen. Volgens historicus en antropoloog Freek Colombijn werd de eerste voetbalclub in Nederlands-Indië gesticht door John Edgar, die in Groot-Brittannië met de sport in aanraking was gekomen.
Het voetbal verspreidde zich vervolgens snel over het eiland Java, waar de sport vooral populair werd in grote steden als Batavia en Bandung. Aanvankelijk bleef voetbal voornamelijk een sport van de Europese elites, maar al snel ontstonden ook clubs onder Indo-Europeanen, Chinezen en de inheemse bevolking.
Om de koloniale voetbalwereld goed te kunnen begrijpen, is het belangrijk om stil te staan bij de maatschappelijke verhoudingen in Nederlands-Indië. Volgens Cees Fasseur, een in Nederlands-Indië geboren historicus en jurist (1938-2016), was het “het onderscheid naar ras en bevolkingsgroep de hoeksteen van het Nederlands koloniaal bestuur”.
De koloniale samenleving was juridisch verdeeld tussen Europeanen, ‘Vreemde Oosterlingen’, waaronder veel Chinezen vielen, én ‘Inlanders’, de inheemse Indonesische bevolking. Europeanen en Indo-Europeanen hadden over het algemeen meer rechten en maatschappelijke mogelijkheden dan Indonesiërs. Tóch vormde voetbal binnen deze verdeelde samenleving een relatief unieke ontmoetingsplek waar verschillende bevolkingsgroepen elkaar regelmatig tegenkwamen.
Volgens Colombijn waren veel voetbalclubs aanvankelijk georganiseerd langs etnische lijnen, maar kregen vooral de sterkere clubs en stadselftallen later een steeds gemengder karakter. Historicus Humphrey de la Croix beschrijft bijvoorbeeld hoe clubs in Batavia in de jaren twintig en dertig spelers uit verschillende bevolkingsgroepen aantrokken.
Bij voetbalvereniging SVBB speelden volgens De la Croix Indo-Europeanen, Chinezen, Indische Nederlanders en zelfs enkele Indonesische spelers samen binnen hetzelfde team. Hij stelt zelfs dat de betere clubs in Nederlands-Indië “zeer gemengd” waren, omdat talentvolle spelers in iedere bevolkingsgroep voortkwamen. Daarmee ontstond al vroeg een vorm van multi-etnisch voetbal binnen de koloniale samenleving van Nederlands-Indië.
Elftal uit Nederlands-Indië. Staand: Piet v. Hooydonck, Jan Dun, Eddy Meeng, Ernst Weise, Wim Kleeman, Schomper, Djamin en Oejong. Zittend: Moedjitaba, Lasso en Mol. Afbeelding van onbekende fotograaf uit het boek ’40 Jaar Voetbal in Nederlandsch-Indië 1894-1934′. Gerestaureerd met Genspark AI Image
Indonesia
Toch betekende die sportieve vermenging géén gelijkheid op maatschappelijk vlak. Hoewel Indonesische spelers op het voetbalveld soms samen speelden met Europese of Indo-Europese ploeggenoten, bleven de raciale verhoudingen binnen de koloniale samenleving grotendeels intact.
Fasseur schrijft dat tussen Europeanen en Indonesiërs sprake was van “een schier volkomen verschil van rechtstoestand”. Voetbal bood Indonesische spelers dus wel kansen op status, bekendheid en sociale contacten, maar zorgde niet direct voor volledige maatschappelijke gelijkheid.
In de jaren dertig groeide voetbal sterk in populariteit binnen de kolonie Nederlands-Indië. Volgens sporthistoricus Jurryt van de Vooren telde Nederlands-Indië in deze periode ongeveer vierhonderd voetbalclubs met gezamenlijk circa vierduizend leden. Door de enorme omvang van de archipel was een landelijke competitie moeilijk te organiseren. Daarom werden vooral stedelijke competities gespeeld op Java en Sumatra, waarna de kampioenen tegen elkaar uitkwamen om het landskampioenschap van Nederlands-Indië.
Tegelijkertijd kreeg voetbal ook steeds meer een politieke en nationalistische betekenis. In 1930 werd de PSSI opgericht, een Indonesische voetbalbond die zich nadrukkelijk richtte op de inheemse bevolking. Deze bond bestaat vandaag de dag nog steeds.
Colombijn beschrijft dat de PSSI bewust het woord “Indonesia” gebruikte in plaats van “Hindia Belanda”, waarmee de bond indirect nationalistische sympathieën uitdrukte. De Nederlands-Indische Voetbalunie (NIVU), die aangesloten was bij de FIFA, keek aanvankelijk met wantrouwen naar deze ontwikkeling. Volgens Colombijn probeerde de NIVU clubs zelfs te verbieden wedstrijden tegen PSSI-teams te spelen. Daarmee werd voetbal steeds meer verbonden aan bredere discussies over kolonialisme, identiteit en Indonesisch nationalisme.
Via de NIVU kwam Nederlands-Indië uiteindelijk in contact met de internationale voetbalwereld. In 1934 nam het elftal van Nederlands-Indië deel aan de Oosterse Olympiade in Manilla, waar het als tweede eindigde achter China. Vier jaar later volgde het absolute hoogtepunt: deelname aan het WK-voetbal van 1938 in Frankrijk. Nederlands-Indië werd daarmee het eerste Aziatische land ooit dat deelnam aan een wereldkampioenschap voetbal.
Oranje, wit en blauw
Op 5 juni 1938 was het dan zover: Nederlands-Indië nam het in Reims op tegen Hongarije tijdens het Wereldkampioenschap voetbal. Het zou uiteindelijk de eerste én laatste WK-wedstrijd uit de geschiedenis van Nederlands-Indië worden. Zo’n twintigduizend toeschouwers zagen hoe de spelers het veld betraden in oranje shirts, witte broeken en lichtblauwe sokken.
Voorafgaand aan de wedstrijd klonk het Wilhelmus, wat de koloniale relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië duidelijk symboliseerde. Hoewel het team afkomstig was uit de kolonie, speelde het formeel nog altijd onder Nederlandse vlag. Hongarije bleek uiteindelijk veel te sterk en won overtuigend met 6-0 van Nederlands-Indië.
Deze deelname aan het WK in Nederlands-Indië werd als historisch ervaren. Het Bataviaasch Nieuwsblad citeerde voorafgaand aan de wedstrijd de Nederlandse radioverslaggever en voetbalcommentator Han Hollander. Hij sprak op sympathieke wijze over “de Indische jongens”, die volgens hem “voor een zwaren taak” stonden tegen het sterke Hongarije. Daarnaast benadrukte hij dat deelname aan het WK vooral moest worden gezien als een “nuttige leerschool”, waarmee het voetbalniveau in de archipel verder ontwikkeld kon worden.

Staand de voetballer Rd. Onong Noeman, Jan Dun, P. Hooydonk, C. Lasso, F. Weise, E. Kleeman, E. Weise, F. Meeng, Djainin, J. Becker, Mols, Ojong. Zittend de korfbalsters T. Salomons, T. Max, T. Messchaert. T. Coester, Zus Carli, H. van Lingen. Afbeelding van onbekende fotograaf uit het boek ’40 Jaar Voetbal in Nederlandsch-Indië 1894-1934′. Gerestaureerd met Genspark AI Image
Eddy en Frans Meeng
Binnen dit WK-verhaal spelen de broers Eddy en Frans Meeng een bijzondere rol. Hun geschiedenis laat goed zien hoe voetbal, kolonialisme en identiteit nauw met elkaar verbonden waren in Nederlands-Indië.
De broers groeiden op in Batavia, waar voetbal in de jaren twintig en dertig steeds populairder werd. Eddy speelde bij SVBB, terwijl Frans actief was bij Hercules Batavia. Frans groeide uiteindelijk uit tot international van Nederlands-Indië en maakte deel uit van de WK-selectie van 1938. Eddy verklaarde later dat hij zelf dicht bij selectie had gezeten, maar van de marine geen toestemming kreeg om mee te reizen naar Europa.
Het verhaal van de gebroeders Meeng laat ook zien dat voetbal maatschappelijke kansen kon bieden. Spelers ontvingen bij overwinningen soms bedragen van dertig tot veertig gulden, wat in die tijd een aanzienlijk bedrag was. Daarnaast konden spelers prijzen winnen zoals medailles en gouden voetbalschoenen.
Voetbal bood spelers daarmee status, bekendheid en sociale erkenning. Tegelijkertijd bleven de koloniale machtsverhoudingen bestaan. Indonesische spelers kregen op het veld soms bewondering, maar werden maatschappelijk nog niet volledig als gelijkwaardig beschouwd.
De situatie veranderde drastisch door de Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. Zowel Eddy als Frans Meeng werd door de Japanners krijgsgevangen gemaakt.
Frans overleed uiteindelijk in 1944 tijdens de ramp met de Janyo Maru, terwijl Eddy de oorlog overleefde maar dwangarbeid moest verrichten aan de Pakan Baroe-spoorlijn op Sumatra. Daarmee kwam abrupt een einde aan een belangrijke voetbalgeneratie uit Nederlands-Indië.



