Nico Scheepmaker is de ontdekker van de assist
Memphis Depay heeft in totaal 35 assists gegeven in het Nederlands elftal. Zo heeft hij een record in handen, waarvan de voetballers van vroeger niet eens wisten dat dit bestond.

Nico Scheepmaker, foto Pieter van Acker via het Nationaal Archief
Eén van de beroemdste doelpunten uit de Nederlandse voetbalgeschiedenis werd in 1934 in het Olympisch Stadion gemaakt tijdens Nederland – België. Oranje-international Beb Bakhuys maakte een zweefduik, waarna hij de bal snoeihard in het Belgische doel kopte. De Nederlandse taal was een begrip rijker: een kopbal à la Bakhuys.
Maar wie gaf de assist?
Het gaat niet om het maken van het doelpunt, maar om het maken van de opening naar het doelpunt
Paradox
Het moderne voetbal haalt zijn energie uit big data. Meteen na een wedstrijd weten we welke afstanden de spelers hebben afgelegd en wie het meeste balbezit heeft gehad.
Daar is lange tijd geen sprake van geweest, want slechts bij uitzondering werd een wedstrijd samengevat in een statistisch overzicht. Er was gewoon niemand die dat interesseerde.
Een mooi voorbeeld stond op 17 april 1935 in het Soerabaijasch Nieuwsblad na afloop van Nederland – België. Een verslaggever had de moeite genomen om te meten hoe vaak er sprake was geweest van een hoekschop, hands, een vrije schop en buitenspel – mooi verdeeld over de twee helften.

Deze wedstrijd was door Nederland gewonnen met 4-2, maar niemand wilde weten welke spelers de assists hadden gegeven. Er is daarom géén koning van de assist van de jaren dertig. Koning Depay regeert over een voetbalwereld, die vroeger niet bestond.
Zo ontstond in de voetbal-boeddhistische leer wel een beroemde paradox: hoe ziet een assist eruit als er geen statisticus in het stadion is om die in een grafiek te zetten?
IJshockey
Dit prehistorische tijdperk van de voetbalassist heeft lang bestaan. Daar kwam pas verandering in met hulp van andere sporten. De assist is namelijk niet door het voetbal zelf bedacht, want na een analyse van de Nederlandse krantenarchieven blijkt dat die is overgenomen uit het ijshockey.
Zo schreef Het Vaderland op 31 oktober 1957 over een duel van de Haagse ijshockeyers van IJHC tegen Preussen / Krefeld, dat door de Nederlanders met 6-5 werd gewonnen. ‘Na drie minuten scoorde W. Buis na eerst uit een goede pass van Schwencke naast te hebben geschoten; assist St. John.’
Hetzelfde was het geval in de Volkskrant van 26 januari 1965 in een verhaal over de ijshockeyer Patrick John Vincent, ‘die met grote regelmaat doelpunten fabriceert’. In 1958 was hij topscorer van de staat Ontario met 46 doelpunten in dertig duels en ook nog eens verantwoordelijk voor 69 assists. Voor de zekerheid stond erbij wat dit begrip betekende: ‘grondlegger van een treffer’.
Na een monsteroverwinning in 1971 van het Nederlandse ijshockeyteam op België (18-0!) legde Het Vrije Volk uit dat een assist een ander woord is voor voorzet. Het was een heel belangrijk onderdeel in die sport, vervolgde de krant, want de stadionspeaker moest het niet in zijn hoofd halen om de naam van de verkeerde speler te noemen. Die kon dan rekenen op een snauw van de ijshockeyer, die wél die assist had gegeven: “Voortaan uitkijken. Ik was de man.”
Nico Scheepmaker
Niemand minder dan de legendarische sport- en tv-columnist Nico Scheepmaker merkte als eerste het groeiende belang op van de assist in het voetbal. Hij zag het met eigen ogen gebeuren bij een Europese wedstrijd tussen Ajax en Omonia. ‘De beroemdste club ter wereld,’ vatte hij samen op 27 oktober 1979, ‘tegen de beroemdste club van Cyprus.’
Het was niet zo heel spannend, want Ajax won met 10-0. Het maakte Scheepmaker niets uit, want die was toch alleen maar naar het stadion gekomen om naar Tscheu La Ling te kijken. ‘Het gaat bij Ling niet om het maken van het doelpunt, maar om het maken van de opening naar het doelpunt, net als bij Coen Moulijn indertijd.’
Het woord assist gebruikte Scheepmaker nog net niet, maar hij ving er wel de essentie van: ‘Het maken van de opening naar het doelpunt.’
In de 74e minuut raakte Scheepmaker in extase. ‘Tscheu La Ling dolde alle hem omringende Cyprioten, ging in zijn kleine achtertuintje bij de cornervlag een paar keer heen en weer, ijsberend met de bal, gaf nog net bijtijds af, voorzet volgde en Lerby scoorde 8-0. Opeens zag ik veld en spelers in glitterlicht, maar ik zag nog wel hoe alle Ajacieden niet naar Lerby toeholden, maar naar Tscheu La Ling, hoewel die niet eens de “assist”, de beslissende voorzet, had gegeven. Daaruit blijkt dus wel, dat die Ajaxspelers verstand van voetbal hebben!’
Het was dus niet eens de assist zelf geweest, maar de assist voor de assist – wat in humorloze databanken wordt opgeslagen in de subcategorie pre-assist.
Scheepmaker had als oer-statisticus plaatsgenomen in een stadion en zo opgemerkt dat de assist tot het voetbal was doorgedrongen. Die kon eindelijk worden gemeten, geteld en verwerkt in ranglijstjes aller tijden. Leve het koninkrijk, waar ooit Depay de scepter zal zwaaien!

Tscheu La Ling, foto Hans Peters via het Nationaal Archief
In stelling
Wie eenmaal de assist had gezien, kon die nooit meer ont-zien. In augustus 1981 bereidde AZ’67 zich in Barendrecht voor op het nieuwe seizoen. Kristen Nygaard scoorde twee keer zelf en had één assist, aldus Het Vrije Volk. Het jonge talent Frank Rijkaard, zoals De Leeuwarder Courant opmerkte, werd in november 1981 versneld vanuit het tweede elftal naar de hoofdmacht van Ajax gehaald. En dan niet alleen omdat hij een doelpunt had gemaakt, maar ook verantwoordelijk was geweest voor een assist.
Ajax hield in 1981 zelf voor de eerste keer een ranglijst bij van spelers met de meeste goals én de meeste assists. ‘De doelpuntenmakers spreken voor zichzelf,’ legde de redactie van de programmaboekjes van Stadion De Meer uit, ‘de assists zijn de spelers die een schutter direct in staat stellen te scoren. Zodoende heeft niet elke schutter een assist naast zich, bijvoorbeeld wanneer hij scoort na een persoonlijke actie of na een rebound. De assist moet bewust de afmaker in stelling hebben gebracht.’
Jesper Olsen was in het eerste gemeten seizoen de Ajax-koning van de assist met een aantal van zeventien. Ling kwam tot dertien, wellicht omdat hij de pre-assist nóg leuker vond. Cruijff en Lerby eindigden op een gedeelde derde plaats met twaalf assists.
Een assist à la Wels
Met de kennis van nu kunnen we alsnog naar vroeger kijken. Op 12 maart 1934 schreef Het Eindhovensch Dagblad een uitgebreid verslag van Nederland – België, die door de thuisploeg met 9-3 werd gewonnen.
De Belgen hadden nog wel het openingsdoelpunt gemaakt, maar daarna kwam Oranje op stoom. Frank Wels van Unitas uit Gorinchem trok daarbij de aandacht van de verslaggever.
‘Als onze rechtervleugel er van doorgaat na goed steunend werk van Anderiessen en Pellikaan geeft Vente tactisch door naar den vrijstaanden Wels, de kleine Gorcummer plaatst onberispelijk voor, Bakhuys vangt met het hoofd op en vallend kopt de ZAC’er onhoudbaar voor den Belgischen keeper in. Een bijzonder fraai doelpunt, zoo als men er slechts zelden ziet maken, 1-1.’
De kopbal à la Bakhuys ging dus vooraf door een assist à la Wels.
Er was alleen nog geen statisticus in het stadion om die in een grafiek te zetten. En daarom staat Wels nu niet meer in de ranglijst, die sinds kort wordt aangevoerd door Depay.


