Home > Boeken > In 1930 zag het Nederlands elftal het licht
BoekenVoetbal

In 1930 zag het Nederlands elftal het licht

Het Nederlands voetbal was in 1930 een lachertje geworden. Na een nederlaag tegen Zwitserland snapte Karel Lotsy wat het probleem was, zo schreef Arthur van den Boogaard in zijn boek Zo Speelden Wij.

Zwitserland Nederland in 1930, foto’s via Nationaal Archief

Door Arthur van den Boogaard

‘Sie spielen Glück-Fussbal.

De Hongaarse trainer Dori Kürschner kijkt Karel Lotsy indringend aan, pauzeert even en herhaalt vervolgens zijn definitieve verdict over het door Nederlanders gespeelde voetbalspel. Geluk. Toeval. Een systeemloos heen en weer schieten. Wat Nederlanders zo graag ‘open spel’ noemen – bal veroveren en dan snel de aanval zoeken met kruislingse longpassing – blijkt in de ogen van buitenlandse voetbalkenners domweg ‘geluksvoetbal’.

Het was op 2 november 1930, na afloop van de uitwedstrijd tegen Zwitserland – met 6-3 alweer een kansloze verliespartij – dat bondsbestuurder Karel Lotsy dit oordeel hoorde uit de mond van Izidor Kürschner. De legendarische trainer van het Zwitserse Grasshoppers was ooit een tactisch uitmuntende speler bij het al even legendarische MTK Budapest van voor de Groote Oorlog. Als coach behaalde hij landstitels met het Duitse 1. FC Nürnberg en met Grasshoppers en Olympisch zilver met de Zwitserse nationale ploeg.

Voor Lotsy en het ganse Nederlandse voetbal had deze alom-gewaardeerde Hongaarse voetbaldeskundige tijdens het banket nog wel een goede tip: spelers elke dag vijf minuten lang alleen maar aan een veelvoorkomende voetbalsituatie laten denken. Precies zoals hij dat bij Grasshoppers deed.

Lotsy dacht bij het horen van die tip aan hoe hij als bestuurder bij HFC in Haarlem gedurende het seizoen de spelers van het eerste elftal wekelijks een tweetal motivatiebrieven stuurde. Ergens leek die methode daar wel een beetje op. Toch was het pas later, zo ongeveer na de eerste uitoverwinning van het Nederlands elftal onder het drietal Herberts-Mundt-Lotsy – 2-0 in-, en tegen Denemarken op 14 juni 1931 – dat hij begreep wat de voetbalfilosoof Kürschner bedoelde.

Het begrip kwam door het boek Te midden der kampioenen van Joris van den Bergh dat de toen 49-jarige sportjournalist bij hem thuis had laten bezorgen. Lotsy las het in 1929 uitgegeven relaas over de vijf sprintwereldtitels van baanwielrenner Piet Moeskops in één adem uit. En begon vervolgens direct weer van voren af aan.

“Tot dat moment had ik de mental training, ik zou haast zeggen als bij intuïtie verricht,” schreef hij later in het voorwoord van een herdruk van het boek. “Ik voelde dat ‘t juist was wat ik voorstond, maar ik wist tevens dat ik er nog heel weinig van afwist. Kortom, ik had literatuur nodig, liefst literatuur aan de praktijk getoetst.”

Van den Bergh schonk Lotsy precies dat: een praktijkvoorbeeld van het belang van trainen met de hersenen. Hij maakte het verschil duidelijk tussen een ‘domme spier’ en een ‘levendige, gevoelige, snel reagerende spier’. Hij effende daarmee de weg voor de ‘concentratiemethode’.

“’t Klinkt gek hé! Maar als je dát in je leven hebt gebracht, dan is het net alsof je spieren in je sport meedenken. Dát moet je hebben, wil je als sportman het grootste bereiken. Je kunt oefenen zoo veel je wilt, je kunt aanleg hebben, heel ijverig wezen, prachtig gespierd zijn, maar ‘dat andere’ moet erbij komen wil je excelleeren,” schreef Van den Bergh in zijn boek en citeerde precies deze zinnen in het artikel ‘Voetbal en Concentratie’ dat op 17 november 1930 verscheen in De Sportkroniek.

Dat stuk – de Genesis van de ‘concentratiemethode’ – was het eerste deel van een drieluik, waarin Van den Bergh de vaderlandse voetbalsport wees op het belang van aandacht voor de psyche van de voetballer. “Er is nu zoo langzamerhand dertig jaar over spelverbetering en over het kiezen van kranige spelers geschreven, doch men schreef erover zooals men een paleis beschrijft dat men van binnen niet heeft gezien.”

Die binnenkant kende Van den Bergh al wel en deze bestond naast de noodzaak van geconcentreerd – lees: met de hersenen – trainen, uit het kweken van saamhorigheid én de acceptatie dat een voetbalvolk alleen is op te voeden door ‘met de aard en het karakter van het volk rekening te houden’. Wat hij daarmee precies bedoelde werd duidelijk in het tweede artikel ‘Voetbal en Volksaard’.

Als jongeling had Van den Bergh het idee dat Nederlandse voetballers zich prima konden bekwamen in de verschillende scholen van het voetbal. Werd de Weense, of de Schotse school begeerd, dan moest hard worden getraind. Op die manier kreeg men het wel onder de knie. Langere studie bracht de sportschrijver/essayist tot een ander, dieper inzicht, namelijk: ‘Getoonde verschillen in voetbaluitvoering zijn geen quaestie van school doch van volksaard.’

Het logisch gevolg was dat het Nederlandse voetbalelftal pas weer een winnend elftal kon worden, als de spelers gelijk hun volksaard gingen voetballen. Of zoals de latere Van den Bergh schreef volgens hun ‘geprononceerde volksaard’.

“Het Nederlandsche volk is geen elegant volk. Wij zijn noch lichamelijk noch geestelijk elegant. Evenmin zijn wij zwierig en artistiek. Vertoon-makers zijn wij niet. Alhoewel de beschaafde mensch over de gehele wereld comedie speelt, zijn wij slechte acteurs. Veel fantasie houden wij er niet op na, wij zijn realisten. Onze aard is eenvoudig: wij zijn nuchter en beminnen de doelmatigheid.”

Buitenstaanders van het voetbalpaleis zouden dat wellicht als harde woorden opvatten. En Van den Bergh kreeg ook de nodige kritiek op zijn schrijfsels. Maar Lotsy begreep de boodschap. De Nederlands Elftal Club moest gaan voetballen zoals Piet Moeskops op de wielerbaan rond had gereden: eenvoudig, nuchter en doelmatig. Gelijk een Nederlander.

Nadat Lotsy in 1931 voorzitter werd van de Technische Commissie, begon hij door het land te reizen om lezingen te geven. Ruim drie uur lang sprak hij, bewust van het belang van de juiste intonatie in zijn stem, over de ‘concentratiemethode’. Naast het oog-openende gesprek met Kürschner vertelde Lotsy dan graag over dat hij Te midden der kampioenen liefst zeven keer had gelezen.

‘Er is geen boek waaruit ik zoveel geciteerd heb,’ zei hij dan. ‘Alleen dominees citeren meer uit de bijbel.’