Precies een eeuw geleden maakte Puck van Heel zijn debuut voor het Nederlands elftal
Op 19 april 1925 speelde het Nederlands elftal een uitwedstrijd tegen Zwitserland. Gerard Puck van Heel mocht voor de eerste keer meedoen, de latere recordinternational.
Puck van Heel is één van de beroemdste Feyenoorders van vóór de Tweede Wereldoorlog. Op 23 september 1923 speelde hij zijn eerste wedstrijd in het eerste elftal, in het seizoen waarin Feyenoord uiteindelijk de landstitel won.
Van Heel groeide daarna uit tot één van de belangrijkste vooroorlogse voetballers van het land. Hij werd aanvoerder bij Feyenoord én het Nederlands elftal.
Daarmee maken we meteen een einde aan een onzinverhaal over Van Heel dat hij op 29 maart 1925 debuteerde in Oranje toen hij in het tweede elftal speelde. Anderhalf eerder had hij tenslotte al voor het eerste gespeeld met nota bene een doelpunt.
Puck, ik zeg je in gemoede / mij persoonlijk doet dat zeer / Voetbalroem is gauw vergeten
Feyenoorders in Oranje
Gerrit Hulsman was op 17 april 1922 de eerste speler van Feyenoord, die werd opgeroepen voor Oranje. Het was alleen niet zijn debuutwedstrijd, omdat hij eerder al een interland had gespeeld namens Go Ahead uit Deventer. In het seizoen 1922-1923 speelde hij in Rotterdam, maar keerde daarna weer terug naar Overijssel.
Bertus Bul was op de eerste ras-Feyenoorder, die door de Voetbalbond werd opgeroepen. ‘Vermeldenswaardig is zeker de plaats gehad hebbende benoeming in het Nederlandsch Elftal van onzen vriend Bul, met welk feit wij Bul vanaf deze plaats nog eens openlijk complimenteeren’, schreef clubblad De Feijenoorder . ‘Aangenaam moet het ons allen gestemd hebben dat hij, ondanks die onderscheiding, de „bescheiden” Bul is gebleven. Zoo moet het zijn: het onvervalschte amateurisme steeds op den voorgrond brengen, allen blijven strijden voor het schoone doel, opdat Feyenoord ook in die richting straks op een traditie kan bogen.’
Dit debuut was tegen Zwitserland, net als Van Heel in 1925.

Bertus Bul vlak voor zijn debuut. Foto via het Nationaal Archief
Jongeling
Gerardus Puck van Heel werd in 1904 geboren in een groot katholiek gezin. Zijn ouders kwamen uit Brabant, maar omdat zijn vader aan de slag ging in de Rotterdamse haven was de familie van Heel vertrokken naar Rotterdam Zuid – een heel normaal migratiepatroon in die tijd. Van Heel meldde zich als jongeling aan bij Feyenoord, en zou zijn hele carrière voor die club actief blijven.
Tussen 1923 en 1940 speelde hij 322 competitiewedstrijden voor Feyenoord, waarin hij 43 keer scoorde. Hij behaalde vier landstitels en won tweemaal de nationale beker. De technische linksbenige middenvelder groeide uit tot het vooroorlogse icoon van de Rotterdamse club. Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat juist hij op 16 september 1935 de eerste paal van het nieuw te bouwen Stadion Feyenoord in de grond sloeg.
Arbeider
Tijdens zijn eerste interlands was Van Heel één van de weinige arbeiders in Oranje, waar anders dan bij zijn eigen club, veel meer sprake was van onderlinge standsverschillen. “Dan speelde je met ingenieur Dénis,” zei Van Heel zelf, “met dokter Le Fèvre, met dokter Van der Meulen, met dokter Tetzner, enzovoort. Wij hadden als eenvoudige jongens van Feyenoord een gespannen houding met die mensen. Het was heus niet zo lollig voor ons. Ach, die dokters keken een beetje op ons neer, zo was het gewoon.”
Van Heel werd één van de dragende spelers van de nationale ploeg, en speelde op de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam en de WK’s van 1934 en 1938. Negenentwintig keer droeg hij de aanvoerdersband. Op 2 mei 1937 speelde hij tegen België zijn zevenenvijftigste interland, en brak daarmee het record van Harry Dénis. De eerste die dit aantal overtrof was Ruud Krol op 22 mei 1979.
Adieu Puck
Op 23 oktober 1938 speelde Van Heel zijn 64e en laatste interland. In 1940 stopte hij ook als speler van Feyenoord. Phida Wolff schreef daarop het gedicht Adieu Puck!
Puck, het spel is afgelopen,
vader Tijd blies welbewust
op z’n fluit; dat was het teken
voor jouw grote voetbalrust.
Meer dan honderdduizend mensen
heb je vaak en veel vergast,
jouw spel was een lust voor d’ogen
afgemeten, afgepast.
Nu ga j’op je lauw’ren rusten
en je speelt geen metsie meer,
Puck, ik zeg je in gemoede,
mij persoonlijk doet dat zeer.
Voetbalroem is gauw vergeten,
speciaal door het publiek,
dat zich o zo graag laat leiden
door de felste polemiek.
Puck, ook jouw tijd is gekomen
en je weet wat dat beduidt,
jij zocht voor je ouwe trappers
een krom wilgeboompje uit,
maar al hangen dan je kicksen
grauw, beschimmeld aan een boom,
jouw spel zal men nooit vergeten
want dat was somtijds een droom.
Niemand in ons lage landje
was zelfs ooit jouw evenknie,
jij speelde met ’t bruine monster
’n vlotte voetbalrhapsodie.
Tot ver over onze grenzen
heeft je spel een elk bekoord,
jij hield, en daar zijn we trots op,
hoog de naam van Feyenoord.
Puck, daar is een tijd van komen
en daar is een tijd van gaan,
jij hebt, na zovele jaren,
ook je plaatsje af te staan.
Puck betekent: klein, dat was je,
klein en handig, sakkerloot,
ook van jou zal elkeen zeggen
en de nadruk daarop leggen:
PUCK, je daden bennen groot!

