Home > Balsporten > Voetbal > Honderd jaar geleden won Ajax de eerste landstitel
Voetbal

Honderd jaar geleden won Ajax de eerste landstitel

Op 9 juni 1918 won Ajax voor de eerste keer de landstitel. Gelukkig had de club net op tijd zijn clublied af voor de duizenden supporters om mee te zingen. Een terugblik op de doorbraak van de Nederlandse voetbalclub met de meeste prijzen. 

Precies honderd jaar geleden won Ajax in Tilburg van Willem II, waarmee het zeker was van de landstitel. In die tijd speelden de kampioenen van de verschillende regionale afdelingen nog tegen elkaar om uit te maken wie de beste van het land was. En op 9 juni 1918 was Ajax dat dus, de eerste landstitel voor de hoofdstad sinds RAP in 1899.

Historische doorbraak

Het bleek de doorbraak van Ajax, dat in de honderd jaar daarna uitgroeide tot de club met de meeste Nederlandse titels. Dat de Amsterdammers aan de vooravond stonden van dit historische moment lijkt de redactie van Het Clubnieuws der Amsterdamsche Football Club Ajax enkele maanden eerder al te hebben aangevoeld. Op 15 februari 1918 plaatste dit blad namelijk deze oproep: ‘De redactie zint reeds lang op het plan een clublied te lanceeren. Het zoeken is echter naar een geniaal musicus, die zoo beminnelijk wil zijn de muziek te schrijven. Wie?’

Het was niet toevallig dat er net in die tijd behoefte ontstond aan een clublied, ‘om uiting te geven aan de vreugde des harten’. Ajax deed het uitstekend in de competitie en dat wilde D. Knegt, één van de twee hoofdredacteuren van het clubblad, extra glans geven met een hymne. De tekst had hij zelf al geschreven; er was alleen nog een melodie nodig.

Precies twee maanden later had het clubblad daarover goed nieuws: ‘Onze oproep is niet zonder gevolg gebleven. Door de vriendelijke bemiddeling van den Heer P. Gijselijnck, abonné van ons blad, werden wij in contact gebracht met den heer Emile Painparé uit Brussel.’

De heren kenden elkaar via de redactie van Het Algemeen Handelsblad op de Nieuwezijds Voorburgwal. Painparé werkte in dat gebouw voor l’Echo Belge, een Franstalige krant voor Belgische vluchtelingen met nieuws uit hun moederland, dat door Duitsland was bezet. Ook Painparé was vluchteling en woonde sinds 1914 in Amsterdam. Al voor zijn gedwongen vertrek was hij in eigen land een bekend musicus. Alhoewel hij zelf geen band met Ajax had, toonde hij zich bereid de melodie te componeren van het clublied. ‘We zien Painparé nog zitten,’ blikte Knegt in 1946 terug. ‘Met onzen tekst in de linkerhand, terwijl hij zijn rechterhand gaten in de lucht sloeg, neuriënd, zoo’n beetje gekkig, piassend, half lezend, half gesticulerend… Ça Va.. Ça Va… In orde, komt voor elkaar! Over drie dagen terugkomen…’

Painparé slaagde er inderdaad in om in maart 1918 de melodie te maken, waarmee De Ajax Marsch was voltooid. Precies op tijd, want op 31 maart 1918 won Ajax de afdelingstitel na een zege op Sparta. Zo klonk tijdens het feest voor de eerste keer de inmiddels bekende openingszin: ‘Een juichtoon da’vre langs de velden.’

In triomf

Het spreekt vanzelf dat dit nieuwe lied uitstekend van pas kwam in de kampioenscompetitie met stadgenoot AFC (er waren twee Westerse competities), Go Ahead uit Deventer, Willem II uit Tilburg en Be Quick uit Groningen als tegenstanders. Op 9 juni was de beslissende wedstrijd in Tilburg. Al een dag eerder wemelde het van de Amsterdammers in de stad, zodat er geen lege hotelkamer meer was te vinden.

De grote supportersstroom kwam op zondag zelf met een extra lange trein vanuit Amsterdam, zo schreef Het Sportblad. ‘In Tilburg duurde het geruimen tijd eer de trein de inhoud van zijn inhoud was ontlast.’ Naar schatting waren er zo’n 2.000 Ajax-supporters gekomen, wat toen nog een treinreis inhield van ruim drie uur. Vanwege de drukte hebben veel mensen al die uren opgepropt in een gangpad moeten staan. Ook vanuit de regio zelf was een enorme belangstelling. Het Sportblad was wat bezorgd: ‘Het leek ons een puzzle hoe al die honderden te eten zouden krijgen maar dat is ten slotte wel los geloopen.’

De wedstrijd begon teleurstellend voor de Amsterdammers, want topspelers Wim Gupffert en Jan de Natris deden niet mee; De Natris naar later bleek omdat hij de trein had gemist. ‘Dat gaf nog aanleiding tot heftig gemopper,’ volgens Ajax zelf, ‘te meer waar elk bericht van hem ontbrak.’ Dan maar zonder de sterspeler en nog tijdens de lunch verbeterde de sfeer aanmerkelijk.

‘Na een vrij gelijk opgegane 45 minuten,’ aldus Het Sportblad, ‘waarin het spel zich zeer snel had verplaatst en waarbij de verdedigingen van beide zijden verreweg het beste voetbal hadden laten zien kwam de pauze met een wel gelukkige 1—0 leiding voor de Amsterdammers.’

Uiteindelijk werd het 0-3. ‘Het moment dat nu volgde moet voor de Ajax-menschen onvergetelijk geweest zijn.’ De supporters stormden het veld op, de spelers gingen op de schouders genomen en het kersverse clublied werd maar weer eens gezongen. ‘In triomf bracht men het elftal naar de kleedkamer.’

Feest in Amsterdam

Zo stapten de spelers en supporters de trein in, die werkelijk uitpuilde. ‘De goede stemming bleef er in. Het lawaai dat men hier en daar maakte was echter geweldig, overal werd natuurlijk verteld dat rood en wit nooit verloren ging en dat Ajax kampioen was. Een reis en een terugtocht dm nog na tal van jaren over te spreken. Toen we Utrecht eenmaal voorbij waren, raakte het gezelschap langzamerhand blijkbaar vermoeid en slaperig, maar toen de reuzentrein het Weesperpoortstation binnenstoomde was het plotseling weer reveille.’

Daar bleek de feestende massa nog vele malen groter. ‘Het gejuich der duizenden en duizenden, die in en om het station stonden opgepakt om Ajax te verwelkomen, overstemde zelfs het geratel van den trein en het gepuf der machine. ‘t Was een oogenblik overweldigend.’

Het was onmogelijk hier nog enige orde in te krijgen, merkte de politie al snel. ‘Het was één golvende menschenzee zoover het oog reikte. Toen men de spelers, zoover dit mogelijk was, bij elkaar had gekregen, werd met eenige geestdriftige woorden een krans aangeboden en daarna verspreidde de menigte zich zeer langzaam, voldaan door het feit dat Ajax ten slotte toch kampioen was geworden en dat de hoofdstad eindelijk weer eens een kampioen van Nederland in zijn midden huisveste.’ Een onverwachte regenbui joeg alle feestvierders hun bed weer in.

Zelf keek de club natuurlijk ook terug op deze titel, in hetzelfde blad dat enkele maanden eerder nog de oproep had geplaatst voor het clublied. ‘Nog nooit hebben wij ’n dergelijke manifestatie van sportieve vervoering meegemaakt, noch herinneren ons bij de grootste sportfeesten in den lande, als internationale wedstrijden e.a., een uitbundigheid van betooging, die te vergelijken is bij de waarlijk sensationeele hulde-uitbarsting, die volgde op het oogenblik van beëindiging dezer belangrijke ontmoeting met de tricolores.’

Jack Reynolds

Deze sportieve opmars van Ajax was geen toevalligheid, want een jaar eerder had de club ook al de beker gewonnen – de eerste grote prijs van de club. Hiervoor droeg één persoon een duidelijke verantwoordelijkheid: Jack Reynolds, sinds 1915 trainer van Ajax. Voor zijn komst had hij jarenlang gevoetbald in de Engelse League. Het was aan het begin van de vorige eeuw heel gebruikelijk dat Nederlandse ploegen mensen aantrokken uit Engeland om hun team te leiden, omdat ze in dat land mijlenver voorlagen op de rest van Europa.

Engels of niet: bij Ajax heerste Amsterdamse normen. Evert Vermeer schreef in zijn jaarboeken: ‘Zijn naam werd consequent op zijn Hollands uitgesproken: Sjek Rijnols.’ Maar dat weerhield Sjek er niet van altijd met een traditionele Britse bolhoed rond te lopen. Met zijn pedagogische talent veranderde hij de complete structuur van de club, vooral door het motiveren van jongeren.

In 2000 zei Jan Melcherser er nog wat moois over in Het Parool als oud-voorzitter van Ajax. “Iedereen heeft het tegenwoordig maar over Michels, Cruijff en Van Gaal, maar ze vergeten de allerbelangrijkste trainer die Ajax ooit heeft gehad: Jack Reynolds. Híj heeft van het ongeorganiseerde gedoe van Ajax de beroemde Ajax-school gemaakt. Vroeger noemde iedereen het de Reynolds-school. En Michels, Cruijff en Van Gaal: ze speelden allemaal het spelletje van Reynolds. Eén van de eerste dingen die ik heb gedaan toen ik voorzitter werd, is Reynolds erelid maken. Het hele glorieuze bestaan van Ajax is aan Reynolds te danken!”

Een landstitel, een bekeroverwinning, een clublied én een coach die de club voor altijd veranderen. Precies honderd jaar geleden legde Ajax zo de basis voor de meest succesvolle Nederlandse voetbalclub.

 

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.