Voetbal

In stadion Galgenwaard begon de revolutie

De bouw van stadion Galgenwaard was het begin van een nieuw tijdperk. Dat moest ook wel als je eigen supporters je grootste vijand zijn.

Galgenwaard, vlak voor de supporterssloop

Eén van de meest curieuze momenten in de Nederlandse voetbalgeschiedenis is de laatste officiële wedstrijd van FC Utrecht in het oude Galgenwaard, op 20 april 1981. Meteen na afloop begonnen aanhangers van deze club ongevraagd aan de sloop en vernielden reclameborden, de doelen, tribunes, de supportersshop en de geluidscabine met apparatuur. Deze idioten zorgden er zo voor dat hun geliefde club met een schadepost van ruim anderhalve ton in guldens achterbleef. Om nog niet te spreken van de reputatieschade, die begin jaren tachtig vanwege de eigen supporters toch al dramatisch was.

Het enige voordeel was dat FC Utrecht er met de neus op werd gedrukt hoe verstandig het was om het oude stadion in te ruilen voor een nieuw onderkomen – alhoewel de club het sloopwerk liever aan een erkend bedrijf had overgelaten. Het oude Galgenwaard uit 1936 voldeed absoluut niet meer aan de veiligheidseisen en moest daarom compleet worden vervangen. Als supporters zichzelf verliezen in de sloop van hun eigen huis heeft het geen enkele zin meer om er wat kleine aanpassingen te doen. Dan moet er gewoon opnieuw worden begonnen, helemaal vanaf het begin. Met de bouw van dit nieuwe stadion was FC Utrecht de eerste club van ons land die zo overstapte naar een modern stadion, naar wat we in de 21e eeuw beschouwen als standaard. In Utrecht begon de stadionrevolutie.

Werkverschaffingsproject

Het huidige stadion van FC Utrecht is de opvolger van het onderkomen, waarover de stad eind 1932 een eerste voorstel formuleerde. Het idee was om een sportcomplex te bouwen als werkverschaffingsproject in crisistijd – net als De Kuip in Rotterdam en het Goffertpark in Nijmegen. In de jaren dertig werden zo door heel Nederland in minimaal vijftig gemeentes sportaccommodaties gebouwd, mede in de hoop de werkloosheid te bestrijden.

Er was alleen een probleem, want de plek van de geplande sportaccommodatie lag binnen de fortengordel van Utrecht, wat voor het Ministerie van Oorlog aanvankelijk aanleiding was om geen enkele medewerking te verlenen. De strategische waarde was te groot om op te offeren voor sport, maar na overleg met de militaire autoriteiten werd besloten om het voetbalterrein op Galgenwaard aan te leggen, ‘welke geheel eigendom van de gemeente is’. Ook de nabijgelegen Maarschalkerweerd werd gebruikt voor sportvelden, een plek waar nu nog clubs als Hellas Utrecht en SV Kampong spelen.

Als één van de belangrijkste werkverschaffingsprojecten in de stad werden vooral ongeschoolden ingezet, in wekelijkse groepen van honderd tot 250 arbeiders die om de acht weken rouleerden. Met een bouwtijd van ruim drie jaar kunnen we aannemen dat de bouw van alle accommodaties grofweg tussen de 100.000 en 250.000 arbeidsdagen heeft gekost, uitgaande van een zesdaagse werkweek. Dat stemt overeen met het Goffertpark met precies 202.417 werkdagen, een vergelijkbaar project uit die tijd. Het arbeidsloon was minder dan vier gulden per dag.

De sfeer op de werkvloer was gelukkig optimaal, aldus de dagbladen uit die tijd. ‘De medewerking en ijver zoowel van de zijde van het uitvoerend personeel als van de tewerkgestelden, leidde er toe, dat de geest op het werk uitstekend was.’ Het is alleen de vraag of de arbeiders dat zelf ook zo hebben ervaren, maar aan hun werd natuurlijk niets gevraagd. Oprechte twijfel is wel op zijn plaats, want de omstandigheden waren niet optimaal, zo weten we door de aanleg van het Goffertpark. De arbeiders moesten daarvoor handmatig 450.000 kubieke meter zand verwijderen. Om een idee te krijgen van de hoeveelheid werk: om één kuub zand te verplaatsen zijn twaalf normale kruiwagens nodig. Voor 450.000 kuub zijn dat 5,4 miljoen ritjes…

Nieuwe tijden, nieuwe eisen

Veertig jaar verleende het oude Galgenwaard zijn diensten totdat het stadion werd ingehaald door de eisen van de moderne tijd, net als de rest van het Nederlandse profvoetbal. In de jaren zeventig waren de stadions oud, oncomfortabel en vooral erg onveilig door het snel opkomende voetbalvandalisme. In 1977 had de Galgenwaard de dubieuze primeur om als eerste stadion in Nederland vangnetten op te hangen om te voorkomen dat er van alles naar de spelers werd gegooid. De voetbalvandalen waren daarop creatief genoeg om weer iets anders te verzinnen om de wedstrijd te veranderen in chaos.

Paul Bezemer deed in 2007 voor zijn afstudeerscriptie over voetbalstadions uitgebreid onderzoek en trok daarbij interessante conclusies. De verbouwing van de Galgenwaard blijkt een belangrijk keerpunt voor het Nederlandse profvoetbal met een geheel nieuwe aanpak voor veiligheid en comfort. Bezemer: ‘In de vier hoeken van het stadion werden vier kantoorgebouwen geplaatst. Door de verandering van de stadionstructuur, van een ovaal naar een rechthoek, was er ruim voldoende ruimte in de omgeving voor parkeergelegenheid, waardoor deze kantoren populairder waren dan gelijksoortige ruimtes in de Utrechtse binnenstad. Er was een nieuw concept bedacht en een manier om het te financieren, door de ontwikkeling van kantoorgebouwen en het gebruik maken van prefab betonnen elementen.’

Nu zijn we eraan gewend dat stadions veilig zijn en dat de bezoekers bijzonder hoge waarderingscijfers geven. Ze zijn daarmee allemaal schatplichtig aan de nieuwe Galgenwaard. In ieder geval is er sinds 1981 geen stadion meer gesloopt door de eigen bezoekers.

 

Advertentie

Bestel bij Bol.com

 

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.