“Uw ramp is onze ramp”: hoe de voetbalwereld werd getroffen door de Watersnoodramp van 1953
Bij de Watersnoodramp van 1953 vielen er ook in de provincie Zuid-Holland veel slachtoffers. Op verzoek van het Erfgoedhuis Zuid-Holland onderzocht ik hoe de voetbalwereld daar werd getroffen.

De ingang naar het voetbalveld van v.v. Groote Lindt in Zwijndrecht, via de Collectie Zeeland
Voetbal was al in de jaren vijftig de belangrijkste sport van Nederland, net als nu. Aan het begin van dat decennium was de KNVB de grootste sportbond van het land met ruim 300.000 leden – toen nog alleen maar mannen.
En dan hebben we het nog niet eens de enorme toeschouwersaantallen, die voetbalwedstrijden trokken. In het seizoen 1951-1952 bijvoorbeeld bezochten alleen al in de Kuip ongeveer 900.000 mensen een voetbalwedstrijd.
Voetbal was daarmee de belangrijkste volkssport en dat maakt het interessant om via deze sport de gevolgen van de Watersnoodramp van 1953 te onderzoeken – in dit geval in de provincie Zuid-Holland. Het gaat er dus niet om dat de slachtoffers in het voetbal belangrijker zijn dan anderen, want daar is natuurlijk geen sprake van.
Hun namen staan nu alleen nog op de witte zerken, die het massagraf op de dijk bedekken
Voetbalfamilies
Hele gezinnen zijn lid van voetbalclubs – óók in Zuid-Holland in het begin van de jaren 50. De mannen en jongens speelden wedstrijden, waren begeleider of zaten in het bestuur. De vrouwen en meisjes stonden elk weekend als vrijwilliger in de kantine, waren supporter of ondersteunden op een andere manier hun vereniging.
Het grootste verschil tussen deze groepen was dat de mannen wél officieel lid mochten worden en de vrouwen niet. Hierdoor is de vrouwelijke invloed op de voetbalcultuur altijd onderbelicht en ondergewaardeerd geweest, wat volkomen onterecht is. Zónder die vrouwelijke vrijwilligers hadden die clubs tenslotte nooit gefunctioneerd, en hadden al die mannen dus ook niet kunnen voetballen.
In een dorp als Oude Tonge op Goeree-Overflakkee gold dat ook. Hele families waren daar betrokken bij de plaatselijke voetbalclub Don Bosco, van oorsprong katholiek. In de clubgeschiedenis keren dan ook vaak dezelfde achternamen terug, zoals Van Peperstraten, De Boet en Tuns. Zoals Jaap van Peperstraten desgevraagd zegt, die begin jaren vijftig als kind in Oude Tonge woonde: “Ik kom uit een Don Bosco-familie. Het was de gewoonste zaak van de wereld dat Katholieken bij Don Bosco speelden.”
Diezelfde achternamen komen we ook vaak tegen bij de 305 inwoners van Oude Tonge, die zijn verdronken bij de Watersnoodramp. Op een totaal van 3100 inwoners was er geen enkele gemeente zo zwaar getroffen, zelfs niet in Zeeland. In een huiveringwekkende terugblik beschreef de Provinciale Noord-Brabantsche Courant Het Huisgezin vijf jaar later hoe de stormvloed complete gezinnen had verzwolgen.
Het water raasde in die rampnacht met een enorme snelheid van ongeveer zestig kilometer per uur naar Oude Tonge. Om kwart voor vier bereikte de zee de achterkant van het dorp, waar hele huizenblokken werden verrast. ‘Even verder de polder in stonden dicht naast elkaar de huizen van twee landarbeiders. Hun namen staan nu alleen nog op de witte zerken, die het massagraf op de dijk bedekken. Veertien keer de naam De Boet op de eerste steen, tien maal De Boet op de tweede.’
Zo staan er ook drie slachtoffers met de achternaam De Boet op de dodenlijst van Don Bosco, zoals die later werd geplaatst in het huisorgaan De Sportkroniek van de KNVB en het katholieke blad Sportparade. Van de gezinnen Van Peperstraten en Tuns werden respectievelijk drie en vier slachtoffers genoemd. “U refereert aan mijn neven Bert, Anton en Arjaan,” merkt Jaap van Peperstraten op. “Drie broers, die met hun ouders en twee zussen verdronken zijn.”
De stormvloed was zo verwoestend geweest, dat de zoektocht naar slachtoffers heel lang heeft geduurd. Dagbladen plaatsten maandenlang nieuwe lijsten met de namen van mensen die recent waren geborgen. Het eerste gezinslid van Van Peperstraten werd op 5 maart 1953 genoemd op de 25e namenlijst: ‘Van Peperstraten— Esser, Geertruida, geb. 5.8.85.’ Bijna twee maanden later werd de 67e lijst gepubliceerd, waarop nog steeds deze achternaam opdook. ‘Van Peperstraten-van Bergen, Allegonda, geb. 22-11-96, laatste adres: Oude Tonge B 54.’
In totaal had Don Bosco veertien leden verloren, waarmee het de zwaarst getroffen voetbalclub in het rampgebied is.

Het sportveld van Nieuwe-Tonge na de Watersnoodramp van 1953. Foto via de Collectie Zeeland
Dordrecht
Ook elders in Zuid-Holland was de voetbalwereld hard geraakt. Boven de golven in Sliedrecht waren alleen nog de doellatten zichtbaar. Het veld in ’s-Gravendeel in het Dordtse KNVB-rayon lag precies tegen de doorgebroken Molendijk. Binnen enkele seconden veranderde dat in een watermassa, net als de rest van het dorp. Ruim dertig mensen vonden de dood, waaronder drie clubleden.
Elders in dit rayon wist voetbalofficial J. de Sprong van niets toen hij de volgende ochtend zijn gebruikelijke rondgang maakte langs de velden om te controleren of er misschien een wedstrijd moest worden afgelast. Hij beklom een dijk, maar in plaats van een voetbalaccommodatie zag hij slechts een woeste watervlakte. De nok van het clubgebouw stak er nog net bovenuit.
Meer dan een week later was de situatie ter plekke niet verbeterd. ‘Dat we voor ernstige moeilijkheden komen te staan, lijkt onvermijdelijk,’ schreef de voetbalbond over de Alblasserwaard, het Land van Altena en Heusden en de Hoekse Waard. ‘Ernstiger dan al deze tegenslag is echter de droeve mare dat de Bond zeker ook slachtoffers onder zijn leden telt. Tot dusver is daarover officieus nog niets bekend.’ Pas twee weken later werd bekend dat ook DFC uit Dordrecht een lid had verloren.
Door ingrijpen van Hans Bakker, Jaap Lanser, Arie en Bert Vlot en Pieter Jan Voege van V.V. Sliedrecht was nóg erger juist voorkomen. ‘Door hun tegenwoordigheid van geest, liefde en opofferingsgezindheid zijn de belangrijke bezittingen van de club in veiligheid gebracht,’ merkte het clubbestuur op. ‘Dat er in Sliedrecht slechts één dode te betreuren valt is mede te danken aan het kordaat optreden van het lid Jan Mooyman.’

Het voetbalveld van VV Piershil is compleet overstroomd. Foto via de Collectie Zeeland
Herstel
Het is opvallend dat het voetbal in Zuid-Holland binnen een maand grotendeels werd hervat – net als in Zeeland trouwens. De club van Slikkerveer speelde eind februari alweer voor de competitie.
Zo ver waren ze in ’s-Gravendeel dan weer niet. De club was in rouw met drie omgekomen leden, waarbij veel spelers ook nog eens familie en vrienden hadden verloren. Ruim een maand na de ramp stond daar nog steeds dertig centimeter water op het terrein, waarna werd besloten om de drie seniorenelftallen uit de competitie te halen. Alleen de jongste voetballers kwamen snel weer in actie, maar dat was vooral bedoeld als afleiding van de heersende ellende. Nabije clubs met minder schade, zoals Fluks, stelden hiervoor hun velden ter beschikking.
De club van Strijen stapte ook uit de competitie, omdat te veel gezinnen in rouw waren gedompeld na de enorme persoonlijke verliezen. Flakkee volgde enkele weken later. ‘Het Bondsbestuur heeft deze verenigingen toestemming verleend haar elftallen uit de competitie terug te trekken,’ meldde de KNVB, ‘met dien verstande dat de plaatsen voor deze verenigingen in de desbetreffende klassen gereserveerd blijven.’
In mei speelden Strijen en ’s-Gravendeel hun eerste vriendschappelijke wedstrijden, waarbij de opbrengst was bedoeld voor een nieuwe accommodatie. Vlak voor aanvang van het nieuwe seizoen opende ’s-Gravendeel dat nieuwe onderkomen. ‘Het terrein ligt er weer keurig bij,’ oordeelde Sportkroniek. ‘Een fraai clubgebouw met ruime kleedkamers, waslokaal, w.c. en cantine geeft het geheel een prachtig cachet.’
Voetbalsolidariteit
In de moeilijkste tijden uit onze moderne geschiedenis zijn er opmerkelijke voorbeelden geweest van een grote onderlinge verbondenheid binnen de voetballerij. Dat was in de Tweede Wereldoorlog al zo, zoals voetbalclub Heerenveen die tijdens de Hongerwinter circa tachtig jonge Amsterdamse voetballertjes naar Friesland haalde om aan te sterken. Na de Watersnoodramp ontstond er een vergelijkbare vorm van voetbalsolidariteit.
De KNVB begon meteen met inzamelingen. Door het hele land werden benefietwedstrijden gespeeld met de opbrengsten voor de slachtoffers. Voetbalclub Quick Boys uit Katwijk adopteerde haar naamgenoot uit Numansdorp – allebei een club die om religieuze redenen alleen op de zaterdag speelde.
‘Wij voelen als voetbalvrienden, dat Uw ramp onze ramp is,’ schreef het clubbestuur uit Katwijk in een brief aan de club in Numansdorp. ‘Wij treuren met U om onze doden en wij bidden de nabestaanden de kracht toe, om hun leed te dragen en het herstel ter hand te nemen. U kunt dan te allen tijde een beroep op onze vereniging doen.’ Nog in diezelfde maand werd er in Katwijk 200 gulden opgehaald voor de Zuid-Hollandse voetbalvrienden – in onze tijd vergelijkbaar met ongeveer 1300 euro.
De Gelderse voetbalvereniging Ede adopteerde de club uit Strijen, waarvoor het op Hemelsvaartdag in actie kwam. ‘Het 1e elftal der oostelijke 2e klasser speelt die dag een benefietwedstrijd,’ aldus Sportkroniek.
Don Bosco kreeg hulp aangeboden vanuit Haarlem, waar een voetbalelftal met leden van de gemeenteraad streed tegen een team met journalisten. De Nieuwe Haarlemsche Courant schreef: ‘Ditmaal zal de opbrengst worden besteed aan het herstel van de door de watersnood getroffen terreinen van de sportverenigingen in Oude Tonge. Tenminste, indien voldoende liefhebbers van voetbal en plezier Zaterdagmiddag present zullen zijn aan de Planetenlaan.’

Opvang van slachtoffers in de Kuip, via het Stadsarchief Rotterdam
Vijftig jaar stilte
In Oude Tonge zelf werd er ondertussen gewerkt aan het herstel, wat jaren heeft geduurd. ‘De zandzuiger Ahoy heeft een nieuwe, drie meter hoge dijk in zee gespoten en daarachter zijn er geregelde busdiensten tussen de dorpen,’ schreef de Provinciale Noord-Brabantsche Courant Het Huisgezin in 1958.
Er werden 165 nieuwe huizen gebouwd en ook het sociale leven kwam weer op gang. ‘In het verenigingsgebouw van Oude Tonge wordt nu elke zaterdag een film vertoond. Altijd een knokfilm, omdat anders de zaal niet volstroomt.’ De katholieke en hervormde voetballers van het dorp waren gefuseerd tot de nieuwe club Don Bosco-Grijsoord.
Volgens Jaap van Peperstraten werd de ramp zelf vooral verzwegen, ook in het verenigingsleven. “Zoals toentertijd gebruikelijk was, werd er nauwelijks over het verdriet gesproken. Het devies was: Niet over praten, gewoon aan het werk.” Pas in 2003, precies vijftig jaar na de Watersnoodramp, kwam hieraan een einde. “Het leek wel of een ieder plotseling zijn verhaal ging doen.”
Don Bosco-Grijsoord bestaat in 2025 nog steeds, onder de afkorting DGBC. Op de clubwebsite komen we bij de juniorenteams opnieuw de achternamen Van Peperstraten en Tuns tegen.


