NieuwVoetbal

Voetbalsolidariteit tijdens de Hongerwinter: Heerenveen helpt Amsterdamse voetballers

Ingrid de Zwarte heeft onderzoek gedaan naar de Hongerwinter, waarin ze  het gangbare beeld van passief lijden. Het was juist eerder een periode van ongekende veerkracht. Voetbalvereniging Heerenveen bijvoorbeeld heeft toen 86 Amsterdamse jonge voetballers geholpen. In 1997 maakte ik voor Het Parool deze reconstructie van opmerkelijke voetbalsolidariteit – 22 jaar geleden mijn debuut als sporthistoricus.

Tweede Pinksterdag 1944, 29 mei, is het hoogtepunt uit de geschiedenis van de Noord-Amsterdamse voetbalclub De Volewijckers. Nadat de vereniging als eerste eindigde in de Eerste Klasse West 1 werd tegen de vier andere afdelingskampioenen van het land gestreden om de nationale titel. Op deze Pinksterdag speelde De Volewijckers tegen Heerenveen en een gelijkspel was voldoende voor het kampioenschap.

De belangstelling voor deze wedstrijd was ondanks de oorlogsproblemen groot en hectische taferelen speelden zich af om één van de 30.000 beschikbare kaartjes te bemachtigen. Ph. K. Corstens, toenmalig bestuurslid van De Volewijckers, had de drukte met verbazing aangezien: ‘Bepaalde levensmiddelen zijn moeilijk te krijgen. De mensen gaan echter niet naar de Beemster voor zichzelf, maar louter met de bedoeling om de daar verkregen groenten en aardappelen te ruilen voor … kaartjes.’

Voor de aftrap dromden de mensen samen bij het stadion om via zwarthandelaren alsnog een kaartje te bemachtigen. Forse prijzen werden betaald, maar de politie greep onverbiddelijk in en arresteerde 150 verkopers. De agenten deelden de in beslag genomen toegangsbewijzen gratis uit aan de omstanders.

Onder de toeschouwers zaten veel ondergedoken mannen, die deportatie of dwangarbeid trachtten te ontlopen. Eén van hen was Volewijcker Tip de Bruin. “Bij de ingang van het stadion stonden leden van de NSB en Grüne Polizei en daar moesten wij langs. Ik liep in het midden van de massa om onopgemerkt binnen te komen. Wat moest ik dan? Ik was blij als ik één keer in de twee weken weer even onder de mensen was.”

Een uitgelaten publiek was die middag getuige van een 4-1 overwinning voor de Amsterdammers, zodat het feest kon beginnen.

DWS

DWS kwam dat jaar uit in de poule van De Volewijckers en had een vierde plaats bereikt met twintig punten uit achttien wedstrijden. Ajax was dat jaar niet verder gekomen dan de tweede plaats achter het Haagse VUC in de Eerste Klasse West 2, de andere competitie in het Westen. Op 30 januari 1944 had Ajax de Hagenezen nog wel verslagen met 8-0, maar dat gebeurde in een dreigende sfeer. Gedurende de hele wedstrijd klonk het gedreun van geallieerde vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland.

Blauw Wit speelde in dezelfde afdeling als Ajax. Het had een middelmatig jaar achter de rug: na achttien wedstrijden had het negentien punten verzameld. Het eindigde op de zesde plaats met een iets slechter doelsaldo dan Feyenoord.

Optimisme

In de aanloop naar het seizoen 1944-1945 werd met optimisme vooruitgekeken. Voorzitter Douwe Wagenaar van De Volewijckers schreef in het kampioensnummer dat hard werd gewerkt aan de bouw van een stadion voor 16.000 mensen, een restauratiezaal en een ruimte voor indoortraining. Sportverslaggever Kick Geudeker, tevens medewerker van het illegale Parool, bezocht op 3 september de finale van de Amsterdamse AROL-beker en sprak met omstanders over het tijdstip van de eerste interland in bevrijdingstijd.

“Als de tanks een beetje snel aanrijden”, meende een toeschouwer, “kunnen we misschien volgende week al tegen de Engelsen voetballen.” Twee dagen later was het Dolle Dinsdag en op 7 september verbood de bezetter alle sportactiviteiten in de open lucht. Het voetballeven boven de rivieren zou tot het einde van de oorlog stilliggen.

Totale oorlog

De spoorwegstaking, bombardementen, gevechtshandelingen en plunderende Duitsers legden het leven in het Westen lam. In de steden ontstond een voedseltekort, dat dramatische omvang kreeg na het invallen van de strenge winter. De voetballers in Amsterdam leden er zwaar onder.

Henk Vocht was in 1944 een jongen van dertien jaar oud, en speelde toen twee jaar bij DWS. “Wij hadden het thuis relatief goed, omdat we vrienden hadden op een boerderij. Dat betekende natuurlijk niet dat we niets in de gaten hadden. Als je iemand onderweg zag naar een begraafplaats met een klein kartonnen doosje op zijn schouder, wist je wel wat er aan de hand was. De doden vielen op straat.”

De rampzalige berichten over de toestand in Amsterdam bereikten voetbalclub Heerenveen, waar clubsecretaris en verzetsman Floor Féléus meteen besloot hulp te bieden. Hij organiseerde een bijeenkomst die bezocht werd door onder andere voorzitter Hendrik Huisman, clublid Germ Scheper en zakenman Joop Overdiep.

Wim Schotanus dreef in Heerenveen een boekhandel, werkte voor de radio en was zijdelings betrokken bij deze gesprekken. “Ik had het te druk met mijn werk, zodat ik niet veel heb kunnen doen. Wel wist ik wat er gebeurde gedurende de voorbereidingen. Joop Overdiep zette bijvoorbeeld erg veel op touw, en gebruikte zijn contacten in de zakenwereld om het een en ander te regelen. Hij handelde veel met Amsterdammers, en dat is waarschijnlijk de reden geweest dat de Eerste Klassers uit de hoofdstad werden benaderd en niet uit Rotterdam of Den Haag. Het had dus niet veel te maken met de contacten uit de voetbalwereld. Maar welke jongens het ook waren, we deden het uit menselijke betrokkenheid.”

De brieven van Heerenveen naar de Amsterdamse verenigingen zijn hoogstwaarschijnlijk ook bezorgd via de zakenkring van Overdiep. De invitatie bereikte uiteindelijk de Eerste Klassers en was daar een aangename verrassing. Het DWS-bestuur schreef vol lof over het aanbod om van elke club vijftien jongens op te vangen: ‘Beste mensen uit Heerenveen, jullie hebt prachtig werk gedaan. Niet medelijdend hoofdschuddend ”gekletst” over die arme Amsterdammertjes, maar jullie hebt iets gedaan, waarvoor wij jullie ten hoogste dankbaar zijn.’

Loting

Door de slechte omstandigheden waren bij alle clubs meer dan vijftien jongens die in aanmerking kwamen. Jan Smit van De Volewijckers werd bijvoorbeeld gepasseerd, waar zijn sportvriend Joop van der Mast wel mee mocht. Het is vermoedelijk een loting geweest die deze keuze heeft bepaald.

Van het DWS-bestuur weten we dat het lot inderdaad heeft beslist. Ad de Haas was bevriend met voorzitter A. de Bruyne en daardoor op de hoogte van de gebeurtenissen. “Gelukkig hoefde ik niet te loten. Dat moet verschrikkelijk zijn geweest.” Ajacied Rob Been over de selectie bij zijn club: “Arie en Jan de Wit zijn de zoons van onze toenmalige secretaris. Nee, dat is geen loting geweest. Dat weet ik heel zeker.”

Na de keuze ging het bestuur op bezoek bij de ouders om te vragen of ze hun zoon naar Heerenveen wilden sturen. Dat was bijzonder emotioneel omdat het onbekend was waar hun kind terecht kwam. Indien ze toestemden mochten de jongens niet weten wanneer ze zouden weggaan, aangezien het moment van vertrek onbekend moest blijven. De Haas: “Dus dan stond hun koffertje veertien dagen klaar, en wisten ze ‘s ochtends nog niet dat ze die nacht weg zouden gaan. De voorbereidingen is door een heel klein groepje mensen gedaan.”

Een gevaarlijke reis

Ajax, Blauw Wit en DWS gingen per boot naar Lemmer. DWS’er Jan Hobby zat bij de eerste groep, die om elf uur ‘s avonds met begeleiding zou vertrekken vanaf de De Ruyterkade bij het IJ. Iedereen was gespannen: het was gevaarlijk op de Zuiderzee en niemand wist of de schipper ”goed” of ”fout” was. Vlak voor vertrek braken opeens luchtgevechten uit met afweergeschut en lichtkogels, zodat deze poging werd afgelast. Hobby: “We moesten toen de hele nacht in de boot blijven zitten terwijl boven ons werd gevochten. Pas ‘s ochtends gingen we weer naar huis.”

De tweede poging, omstreeks oktober 1944, slaagde wel. “Iedereen om mij heen was stil”, volgens Hobby. “Je was al blij als je kon staan, want we hadden allemaal honger. Het was echt doodstil: alleen het toeftoef van de motor en het klotsen van het water.”

Na een nacht varen kwam de boot aan in Lemmer, vanwaar de reis naar Heerenveen ging. De begeleiding keerde na een zware tocht huiswaarts met de mededeling dat nog vier keer vier voetballertjes waren uitgenodigd.

Een lepel jus

De Volewijckers uit Amsterdam-Noord reisden zelfstandig met een vrachtwagen. De pont naar het centrum was er immers niet meer en daardoor konden ze de De Ruyterkade niet bereiken. Van der Mast: “Voor de Afsluitdijk moesten we allemaal in de greppel omdat er vliegtuigen aankwamen. Later stapten Duitsers in met hun fiets en reden met ons mee. We werden in Heerenveen opgevangen met een bord pap, dat we meteen verslonden.”

Vocht arriveerde later als vervanger van een teamgenoot met heimwee. “Toen ik aankwam weet ik nog goed dat al die jongens daar er heel anders uitzagen. Al die jeugd met die witte kop en witte haren. En dan dat taaltje! Toen ik de eerste ochtend ontbijt op bed kreeg zei mijn pleegmoeder: Tink der om, do moatst net yn dyn bêd knoeie. Later hoorde ik dat ze zei dat ik niet moest knoeien.”

De gastvrijheid was enorm, ondanks enkele aanpassingsproblemen. Jongens uit een atheïstisch gezin hadden wel eens moeilijkheden bij een christelijke familie, sommige pleegouders waren te oud en met het eten ging het ook wel eens mis. Vooral in de eerste dagen waren de Amsterdammers niets gewend.

Hobby: “Nadat ik een lepel jus had gehad zat ik meteen met diarree op de WC, omdat dat voor mij veel te vet was. En één keer ben ik weggelopen van tafel, omdat pleegbroer Piet klaagde tijdens de maaltijd. ”Wat is dat nou voor eten?” riep hij en toen werd ik zo boos dat ik opstond. Zijn moeder zei toen tegen Piet dat hij eens met mij moest praten, omdat ik wist wat het was om honger te hebben.”

Abe de grappenmaker

Nadat de Amsterdammers weer op krachten waren gekomen werd er veel gevoetbald, al was het alleen maar omdat ze logeerden bij Heerenveense spelers. Bertus Moehring van Blauw Wit verbleef bijvoorbeeld bij Jan Lenstra, de broer van Abe. Vocht speelde regelmatig met Us Abe: “Er was een stuk groen met aan het eind een heg met water erachter, maar dat wisten wij niet. Als Abe de bal eroverheen schoot, sprongen wij over de heg naar de bal. Hij lachte zich slap als wij dan de sloot weer uitkwamen.”

Er was ook een toernooi met de Amsterdamse clubs en vier Heerenveen-teams. In april meldde het DWS-bestuur dat ”onze jongens zich in de voetbalcompetitie geducht doen gelden”. Heerenveen I had na zeven wedstrijden net als DWS dertien punten behaald en een beslissingswedstrijd was noodzakelijk. ”In deze wedstrijd sneuvelden onze jongens met 4-1”, schreef DWS teleurgesteld. Ajax behaalde de derde plaats, De Volewijckers de vierde en Blauw Wit de vijfde.

Naast het voetballen werden ook typische Friese sporten beoefend. Hobby: “Daar heb ik voor de eerste keer aan slootjespringen gedaan, maar omdat ik dat niet kon, viel ik meteen in het water. Mijn vrienden zeiden dat ik gewoon mijn kleren moest uitdoen, en als we terugkwamen van het zoeken naar kivietseieren waren ze weer droog. Ik leerde daarna al snel over bredere sloten te springen.”

Amsterdamse bluf

De Friese jongeren zaten overdag op school, terwijl de Amsterdammers thuisbleven. “We mochten wel”, merkt Hobby op, “maar de lessen werden in het Fries gegeven en dat spraken wij niet.”

De pleegouders maakten goed gebruik van de vrije uren van hun gasten en zetten de jongens in voor klusjes. Vocht weet nog dat hij vaak de ramen schoonmaakte of de koeien moest melken, wat hij al had geleerd bij de vrienden van zijn ouders op de boerderij. “Maar het liefst ging ik er vandoor met een bal.”

Na de eerste maanden waren de Amsterdammers zo gewend aan hun nieuwe omstandigheden dat ze weer echte straatschoffies werden. Gastvrouw Anne Visser: “Toen de Amsterdammertjes geen honger meer hadden, waren ze weer hondsbrutaal. Zo voerden ze brood aan de dikke ratten die in de sloot achter de oude hoofdtribune zaten.”

Eén keer zat de politie achter Hobby en zijn vrienden aan, maar die staken elke keer via een boot de gracht over om uit hun handen te blijven. De plaatselijke kranten schreven nogal eens over de Amsterdamse jeugd die Heerenveen op stelten zette, maar het is nooit uit de hand gelopen.

Heimwee

Ondanks de vele bezigheden van de Amsterdammers ontstond regelmatig heimwee. Willem Ysebrand van DWS reisde daarom dwars door de gevaarlijke IJssellinie terug naar Amsterdam, waarna Vocht hem verving. Het verlangen naar huis dreef ook Ajacied Otto Been terug, juist toen zijn broer Rob onderweg was naar Friesland om hem gezelschap te bieden. De twee hebben elkaar gekruist zodat Otto in Amsterdam zat en Rob in Friesland.

Vocht herinnert zich nog een ”bepaald soort heimwee”. “Ik heb nooit huilend in bed gelegen, maar ik vroeg me wel altijd af hoe het thuis zou gaan. Een telefoon was er niet en brieven kwamen niet of moeilijk aan.”

Moehring is er wel enkele keren in geslaagd brieven te sturen naar Amsterdam. ‘Lieve vader en moeder’, schreef hij op 9 maart 1945, ‘donderdagmorgen vroeg de 8e maart heb ik uw brief al ontvangen, deze is dus maar drie dagen onderweg geweest en dus reuze snel.’ Zijn ouders werden daarna ingelicht over een wedstrijd tegen het vierde jeugdelftal van Heerenveen. ‘We hebben die met 3-2 gewonnen en ik heb ook nog een goal gezet.’

Een ontredderd Amsterdam

Na de bevrijding keerden de Amsterdammers terug. Een grote groep stapte in een boot, maar het is niet meer bekend of de spelers van De Volewijckers net als de heenreis apart reisden. Van der Mast en Hobby herinnerden zich nog wel dat ze beide per schip naar Amsterdam gingen, maar De Volewijckers meerden aan bij het Shell-gebouw in Noord en de andere drie clubs bij de De Ruyterkade in het centrum.

Vocht: “Toen we terugliepen naar de Spaarndammerbuurt, was het één grote puinhoop. Overal lag vuilnis, omdat dat al tijden niet meer was opgehaald. Nadat we aankwamen in een buurthuis was het een groot feest, als je het woord feest tenminste kan gebruiken. Daar hebben we afscheid van elkaar genomen en gingen we weer naar huis. Het was nog wel steeds erg moeilijk vlak na de bevrijding. De politie bewaakte de bakkerskar en mijn vader en broer keerde een keer halfdood terug na een gevecht om een brood.”

Rob Been keerde pas in juli terug en voelde zich niet echt thuis. “Al die hoge huizen en brede straten benauwden me. Ik kreeg bijna heimwee naar Heerenveen. Om nou te zeggen dat ik blij was om terug te zijn, nee.” Been hield altijd contact met zijn toenmalige pleegfamilie. Na de begrafenis van zijn pleegvader nam hij met zijn pleegfamilie de condoléances in ontvangst, als dank voor de genoten gastvrijheid.

Een week na zijn thuiskomst keerde Hobby met zijn uitgehongerde broer Gijs terug om hem aan te laten sterken en ook daarna bezocht hij vaak zijn gastgezin. ”Dan nam ik de nachtboot naar Lemmer en stond ik ”s ochtends bij mijn pleegouders. ”Waar kom jij nou vandaan?” riepen ze dan, maar ik was altijd welkom.” Ook hij onderhield daarna contacten met zijn pleegbroer en -zus en leerde zo een aardig mondje Fries.

Een pijnlijke wedstrijd

De vijf voetbalclubs ontmoetten elkaar in de komende maanden veelvuldig. Eind mei speelden de Amsterdamse verenigingen om het stadskampioenschap. Deze zes wedstrijden trokken maar liefst 130.000 toeschouwers. Ajax won alles en was de eerste naoorlogse Amsterdamse kampioen.

Op 21 en 22 juli 1945 vierde Heerenveen zijn 25-jarig bestaan en organiseerde een toernooi met de vier Amsterdamse clubs, dat gewonnen werd door De Volewijckers. Als dank voor de gastvrijheid kregen de Friezen een tegeltableau aangeboden. De Volewijckers bleef na afloop van het toernooi in Friesland en bezocht een week lang andere clubs in de omgeving. De rondrit werd afgesloten met een erewedstrijd tegen Heerenveen.

Op 26 augustus bezocht Heerenveen Ajax voor een vriendschappelijke wedstrijd. De Amsterdammers wonnen, maar ze voelden zich daarover nogal ongemakkelijk. ”Het was volgens de regels en de wetten van het spel volkomen verdiend”, schreef het bestuur, ”maar toch, wij vonden het niet aardig tegenover de sympathieke Friezen.” Ajax won met 10-2…

Het contact verwaterde daarna en Wim Schotanus betreurde dat. “Vooral Ajax hield er snel mee op, maar goed, dat was toen al een grote club met een druk programma. Met DWS en De Volewijckers hebben we het langst uitwisselingen gehad. Toch jammer, want ik heb echt genoten van die wedstrijden met die jongens. Later kreeg ik vaak kinderen van pleegouders op bezoek om te vragen hoe het was geweest.”

In 1995 organiseerde Heerenveen een reünie waar veel Amsterdammers, inmiddels allemaal zestig jaar oud, heengingen. Vocht: “We kregen daar het jubileumboek van het 75-jarig bestaan en nog steeds waren ze allemaal zo gastvrij. Ik werd er gewoon verlegen van toen. Het is echt een fantastische tijd geweest.”

 

Advertentie

Reserveer bij bol.com