NieuwWielrennen

De 75ste sterfdag van Jan Feith, de man die het wielrennen naar het theater bracht

Op 2 september 1944 overleed veelschrijver Jan Feith, onder meer als samensteller van Het boek der sporten uit 1900 – hier lezen. In 1895 schreef hij het eerste theaterstuk over wielrennen. In 2015 stond in tijdschrift De Sportwereld hierover een lang verhaal, waarvan hier een deel. Verder lezen doe je hier.

Door Wim Zonneveld, in samenwerking met Jan Luitzen en Jurryt van de Vooren

Aan het einde van de negentiende eeuw maakt het wielrijden wereldwijd revolutionaire tijden mee – ook in Nederland. Burgers hijsen zich op de hoge bi, later wat gemakkelijker op de driewieler of op de safety bike. Soldaten oefenen met het rijwiel. Voor velen is wielrijden een symbool van ‘modernisme’, maar tegelijkertijd verloopt de acceptatie ervan niet zonder slag of stoot.

Ook de journalistiek maakt een enorme ontwikkeling door. Stereotype wedstrijd- en vergaderingsverslagjes beginnen plaats te maken voor een eigen genre, dat van de wielerverhalen. De basis wordt gelegd voor de Nederlandse wielerliteratuur. In 1895 wordt in Amsterdam een wielerblijspel gepresenteerd dat de nieuwe tijdgeest effectief en toch luchtig weet te vangen en te duiden.

Wielerblijspel

Vrijdagavond 8 maart 1895 vindt in de Artis Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam de première plaats van het ‘oorspronkelijk wielerblijspel in drie bedrijven’ De Vader van Daisy Bell, door het gezelschap Amsterdam’s Wielrijders Bondslokaal. Het publiek bestaat uit ‘leden van den Algemeenen Nederlandschen Wielrijdersbond en hun genodigden’ en de opbrengst komt ten bate van de Armenzorg.

De recensent van het bondsblad De Kampioen is niet karig met zijn lof over het geboden vertier: ‘De opvoering was één succes; aanhoudend werden de hoofdpersonen toegejuicht, en iedere aardige groep, iedere geestige zet [..] bracht de handen van een enthousiast en deskundig publiek op elkaar.’

In het stuk is Meester Bell, lid van de Tweede Kamer, van plan een wet tegen het – in zijn ogen – verfoeilijke wielrijden in te dienen. Om dit zwaard van Damocles af te wenden, waagt Van Peddelen, bestuurslid van de Wielrijdersbond, zich op audiëntie in Bells kantoor, waar hij diens dochter ontmoet, de bevallige Daisy Bell, die zich ontpopt tot bondgenote. Samen smeden zij een plan om papa Bell op een rijwiel te krijgen. Dat lukt. Mr. Bell klimt in het holst van de nacht op een driewieler, maar dit wordt gezien door Pennewip, redacteur van De Vliegende Wielrijder, die vervolgens dreigt een artikel te schrijven over het fietsende Tweede Kamerlid. Na de nodige kolderieke perikelen en amoureuze verwikkelingen sneuvelt het wetsontwerp.

De Kampioen: ‘Wielrijders-typen van allerlei soort, slagers, amateurs, proff’s, protestierende Duitschers, rijbewijzencommissarissen enz. enz., een bont en uitstekend pariodeerend geheel, zijn getuige van de slot-scène, waarin Mr. Bell dit blijspel tot blijspel maakt en zijn zegen geeft aan Daisy en van Peddelen.’

Wielerverenigingen fungeren in deze tijd ook, en niet op de laatste plaats, als plek voor gezelligheid en vermaak voor hun leden. Binnen twee weken wordt het stuk ook opgevoerd in Haarlem en Den Haag. Daar moet na elk bedrijf ‘telkens weer gehaald’ worden, en ‘dan traden er heeren in zwarte rokken naar voren, om woorden van hulde, bewondering en dankbaarheid te spreken en ruikers en kransen aan te bieden’ aan de hoofdrolspelers. Het spel is op ‘bonte avonden’ in het land een groot succes, uitgevoerd door plaatselijke acteurs, vaak zelf wielrijders, en beleeft nog tot voorjaar 1897 een hele reeks opvoeringen. Deventer, Zutphen, Hilversum, Groningen, Arnhem… iedereen wil het gezien hebben.

Jan Feith: student, sporter, schrijver

Daisy Bell is de pennenvrucht van ‘J.F.’, die Jan Feith blijkt te zijn, een 20-jarige ex-student en ex-sporter met schrijversaspiraties, die in de eerste opvoeringen zelf de rol van Mr. Bell op zich neemt. Verre van onverdienstelijk, aldus De Kampioen, want de hoofdpersoon had ‘uitstekende oogenblikken’: ‘Dan daverde de zaal van bravogeroep.’

Johannes (Jan) Feith (Amsterdam 1874 – ’s-Gravenhage 1944) is van gegoede, adellijke komaf, hij mag zich jonkheer noemen. Vader Pieter Rutger en broers Rhijnvis en Constant zijn alle drie jurist. Constant, de jongste, is in het begin van de twintigste eeuw een actief cricketer en achtvoudig voetbalinternational, uitkomend voor het Haagse HVV.

Jan is bepaald geen studiebol. De Hoogere Burgerschool in Haarlem maakt hij niet af, de Openbare Handelsschool in Amsterdam wel, zij het met enige moeite, in de zomer van 1894. Na kantoorbaantjes bij een bank en bij de Stoomvaartmaatschappij Nederland wordt hij in 1896 – in het jaar na Daisy Bell – aangenomen bij het Algemeen Handelsblad als journalist.

In zijn Haarlemse schooltijd begint Jan zich onledig te houden met twee activiteiten die bepalend zullen zijn voor zijn verdere levensloop, die zo verschilt van zijn familieachtergrond: populaire cultuur en sport. Onder zijn schoolvrienden zijn de latere voordrachtskunstenaar Albert Vogel en de musicus Wim Landré.

Jans passie voor sport ontstaat als hij in Haarlem Pim Mulier ontmoet, tien jaar ouder, die hem overhaalt mee te trainen met de voetballende jongens op de Koekamp. Hij debuteert voor HFC op 9 maart 1890 tegen HVV, een wedstrijd die eindigt in een 6-2 nederlaag. Dit deel van zijn sportcarrière wordt in 1906 het onderwerp van zijn bestseller Uit Piet’s Vlegeljaren, een jeugdroman met het eerste Nederlandse literair-ingebedde verslag van een voetbalwedstrijd. In juli 1890 worden door de Amsterdamsche Sportclub atletiekwedstrijden georganiseerd op het grote sportcomplex ‘achter het Rijksmuseum’, met deelname van een hele stoet Haarlemmers. Schaatser-wielrenner Klaas Pander wint er de race over 1 mijl. Klaas’ protégé Jaap Eden maakt zonder potten te breken in deze race zijn sportdebuut, maar Jan Feith wint de ¼ mijl. Jaap en Jan zijn allebei 16 jaar oud.

In Amsterdam voetbalt Jan bij RAP, maar na een hardnekkige blessure (‘leewater’, oftewel een voetbalknie) stapt hij over op het wielrennen. Hij is geen veelrijder, maar behaalt wel een aantal opvallende successen. In augustus 1892 is hij met een groepje rijders in Londen, waar hij op de Catford-baan, een slecht berijdbare kleibaan, de overwinning weghaalt in de team-race, met als maat de sterke Hagenaar Willem Rademaker. Hij behaalt in de zomer van 1893 overwinningen op de banen van Sittard en Arnhem, en bij die laatste gelegenheid een tweede plaats in het Kampioenschap van het Continent over 1 mijl, achter Jaap Eden. Jan en Jaap kunnen het goed met elkaar vinden, ze maken er samen, tot groot enthousiasme van het publiek en de kranten, een mooie sprint van.

In 1894 is zijn eindexamenjaar op de Handelsschool en zijn actieve sportcarrière komt dan ook ten einde. Afgestudeerd maakt hij op kosten van zijn opgeluchte ouders dat najaar een reis naar Griekenland en Klein-Azië en hij bundelt in eigen beheer zijn brieven onder de titel Reis naar de Levant. Het is het begin van een groot, heel groot oeuvre, maar met zijn tweede werk, het blijspel De papa van Daisy Bell, begint hij als 20-jarige – ‘den nieuweling-auteur J.F.’ van De Kampioen– op te vallen.

Lees verder op de website van De Sportwereld – hier.

Advertentie

Bestel bij Bol.com