Wielrennen

Het Tom Dumoulin-effect bestaat niet

Limburgse wielerverenigingen meldden in de herfst van 2017 een opvallende toename van het aantal jeugdleden, volgens eigen zeggen door de successen van Tom Dumoulin. Eerder schreef de NOS dat het behalen van de Europese titel door de Oranjevrouwen voor meisjes een extra impuls is om te voetballen. Succes in de topsport beïnvloedt zo rechtstreeks de ledenaantallen van de betreffende bond. Zeggen ze.

Dit positieve effect op de breedtesport werd een halve eeuw geleden het Ard-en-Keessie-effect genoemd, naar het succesvolle schaatsduo Schenk en Verkerk. In 1994 toonde sportsocioloog Maarten van Bottenburg echter aan dat het ledenaantal van de KNSB sinds 1966 was gedááld, nota bene vanaf het jaar dat Schenk en Verkerk doorbraken. Er is nooit een Ard-en-Keessie-effect geweest.

In onze eeuw spreken we over het Epke-effect, het Dafne-effect of, zoals nu in Limburg, het Dumoulin-effect. Net als bij Ard en Keessie is er bij turnen en atletiek opnieuw geen sprake van een positieve invloed op de omvang van de bond – integendeel. Na de olympische titel van Epke Zonderland in 2012 dáálde het aantal leden van de KNGU. Na het succesvolle EK atletiek van 2016 in Amsterdam en de enorme aandacht voor Dafne Schippers op de Olympische Spelen dáálde het aantal leden van de Atletiekunie. Bonusfeit: na de wereldtitel van de Nederlandse honkballers in 2011 dáálde het aantal leden van de KNBSB.

In anderhalve eeuw Nederlandse sportgeschiedenis zijn er slechts vier gevallen, waarin wél sprake was van het gedroomde verband. Het ging dan om een sport die op dat moment klein en onbekend was en die door een onverwacht succes opeens veel aandacht en nieuwe leden kreeg.

 

Hockey deed dit in 1928 als eerste tijdens de Olympische Spelen in Amsterdam. Na de zilveren medaille voor het nationale mannenteam verdrievoudigde de groei van nieuwe hockeyclubs.

Door de wereldtitel van schaker Max Euwe in 1935 steeg het aantal nieuwe schaakclubs explosief. Volgens de gegevens van onderzoeksinstituut Huygens ING werden er van 1900 tot en met 1935 precies 376 schaakclubs opgericht – gemiddeld ruim tien per jaar. In de vijf jaren na Euwes wereldtitel kwamen er 305 clubs bij – een jaarlijks gemiddelde van 61.

De successen van Anton Geesink ruim een halve eeuw geleden maakten de judosport groot, eerst met zijn wereldtitel van 1961 en drie jaar daarna zijn olympische titel. De Nederlandse Sport Federatie presenteerde in 1965 cijfers over het totaal aantal sporters in de voorgaande tien jaar, waaruit bleek dat dit met 44% was gestegen. Het aantal leden van judoclubs groeide in diezelfde tijd met maar liefst 300%.

De laatste Nederlander die in zijn eentje zorgde voor een enorme ledengroei was darter Raymond van Barneveld. In 1989 had de dartsbond nog 7.000 leden, waar het er nu 33.000 zijn. Het breekpunt is de winst van Van Barneveld in de Embassy van 1998.

Al anderhalve eeuw spreken verwachting en uitkomst elkaar zo tegen, maar desondanks bereikt dit inzicht amper de vergadertafels van de Nederlandse sportwereld. Daar wordt toch het liefste door een roze bril gekeken met als mantra dat sport inspireert, verbroedert en verbindt. Pak een subsidieverzoek van een willekeurige bond en het staat er minstens acht keer.

Zo is ook het geloof onuitroeibaar dat sportief succes direct leidt tot een impuls voor de breedtesport, maar met slechts vier geslaagde voorbeelden is de kans op een Dumoulin-effect verwaarloosbaar. Het enige wat met gebruik van een roze bril overeenkomt met de realiteit is de trui die deze wielrenner in 2017 heeft gewonnen. Die is inderdaad roze.

Advertentie

Bestel bij Bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.