NieuwWielrennen

Onder de motorkap van de fiets: wetenschap in het wielrennen

Wetenschap speelt een steeds grotere rol in het wielrennen. Francesco Moser veranderde alles in 1984 – het begin van de nieuwe jaartelling van de wielersport.

Francesco Moser in 1978, nog voor de nieuwe jaartelling

Topsport is uitgevonden om te winnen. Het is een wereld waarin winst en verlies soms duizendsten van een seconde van elkaar zijn verwijderd, zoals op de Olympische Winterspelen van 2014. In deze orde lagen toen de verschillen tussen de schaatsers Michel Mulder en Jan Smeekens op de 500 meter en Koen Verweij en Zbigniew Brodka op de 1500 meter. Elke informatie om nét iets sneller te zijn is goud waard – op de Olympische Spelen zelfs letterlijk.

Het is daarom niet verwonderlijk dat er in de sport belangstelling is voor onderzoek en wetenschap. Al in 1889 werden in Amsterdam de beste schaatsers ter wereld bestudeerd om te kijken met welke slag ze reden en wie daarin het meest succesvol was. De Amerikaanse rijder Joe Donoghue sprong eruit in dit onderzoek: hij boog zijn lichaam voorover met de handen op de rug en reed iedereen voorbij met een zeer regelmatige slag – zoals Sven Kramer in zijn beste dagen. De Europese langebaanschaatsers klauwden toen nog over het ijs met armen als molenwieken in een storm, maar die wisten niet hoe snel ze de stijl van Donoghue moesten overnemen.

Dankzij de wetenschap ontwikkelde de schaatssport zich spectaculair aan het eind van de negentiende eeuw, waardoor de gedachte ontstaat dat topsporters een oneindige behoefte hebben aan kennis en wetenschappelijke inzichten voor nóg betere prestaties. Zo simpel is het echter niet, zien we bij de klapschaats. De eerste officiële rit was in 1985, maar pas elf jaar later zorgde Tonny de Jong voor de doorbraak. Iemand als Rintje Ritsma liet zich heel moeilijk overtuigen en zei lachend voor een draaiende tv-camera dat zo’n nieuwigheid echt iets voor vrouwen was. Om een achterstand van enkele lichtjaren te voorkomen moest uiteindelijk zelfs Ritsma geloven aan deze wetenschappelijke innovatie. Ach, ook Albert Einstein heeft zich wel eens vergist.

Acht seconden lachen

Axel Koenders in 1986

Ook in het wielrennen van begin jaren tachtig werden technische pioniers niet als vanzelfsprekend met open armen ontvangen. Francesco Moser veranderde in 1984 echter voor altijd de strijd om het werelduurrecord door met een fiets te rijden die was gebaseerd op geavanceerde aerodynamica. Om hem heen dartelde een team van wetenschappers dat elke ademstoot omzette in cijfers. Dat was nog eens wat anders dan drie biefstukken bij het ontbijt. Daarna verbrak deze rijder als eerste de magische grens van vijftig kilometer per uur en reed zo Eddy Merckx uit de boeken als houder van dit record – niet één keer maar twee keer op rij. Bij Moser begint de nieuwe jaartelling in het wielrennen.

Axel Koenders had begin jaren tachtig het wielrennen juist verlaten, omdat er zo weinig veranderde. Hij stapte over naar de triatlon, een jonge sport met veel minder weerstand tegen innovaties. Hij kwam met een verlengd ossenkopstuur waarmee het bovenlichaam in een positie wordt gedwongen voor zo min mogelijk luchtweerstand. In 1989 speelde dat stuur een beslissende rol op de slotdag van de Tour de France die werd beslist met een tijdrit. De Fransman Laurent Fignon verdedigde een voorsprong op de Amerikaan Gerg LeMond, die met een hypermoderne fiets aan de start verscheen, onder meer met ossenkopstuur. De Fransen moesten hartelijk lachen om dat nieuwerwetse gedoe, maar uiteindelijk won LeMond deze ronde met acht seconden voorsprong – één van de grootste sensaties ooit in de wielrennerij. De Fransen hadden precies acht seconden te lang gewacht met innovatie.

Profielen

In topsport gaat het dus om de details en bewegingswetenschapper Stephan van der Zwaard doet daarom al jaren onderzoek naar de spieren van wielrenners. Bij een groot aantal wielrenners kreeg hij toestemming om een heel klein stukje spierweefsel uit het bovenbeen af te nemen om eens te kijken wat deze wielrenners – afkomstig uit verschillende disciplines – voor eigenschappen hebben onder de motorkap. Dat was natuurlijk met medische geheimhouding, zodat we nooit zullen weten of Tom Dumoulin of Bauke Mollema hieraan mee hebben gedaan.

Van der Zwaard maakte met behulp van een heel palet aan fysiologische eigenschappen vanuit de spieren, het bloed, en het hart-longsysteem drie verschillende profielen van wielrenners met aanleg voor de sprint, voor de lange duur en voor een combinatie van die twee. “Die gebruiken we om te kijken wat de sterke en minder sterke eigenschappen van de atleet zijn, afhankelijk van de discipline van de sporter.” Uniek is dat de onderzoeksresultaten laten zien welke eigenschappen cruciaal zijn voor een goede combinatie van sprint- en uithoudingsvermogen. In het wielrennen is die combinatie met name vereist in de ploegenachtervolging of de tijdrit; in de schaatssport bij een afstand als de 1500 meter.

“Hoe kan je die twee profielen van sprint en duur met elkaar combineren?”, luidt de samenvatting van de onderzoeksvraag van Van der Zwaard. Een ronderenner bijvoorbeeld moet kunnen sprinten, tijdrijden, klimmen en dalen. Nieuw wetenschappelijk inzicht kan daarbij helpen om erachter te komen dat bepaalde wielerwijsheden, die eeuwenlang als vanzelfsprekend werden beschouwd, misschien helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn.

Van der Zwaard beperkte zich niet tot de wielersport, maar keek verder. Ook schaatsers, roeiers en hockeyers werden onderzocht – in totaal meer dan honderd sporters. En zo komt een sporter er soms opeens achter dat die eigenlijk een verkeerde discipline heeft uitgekozen – als het tenminste aan zijn spierweefsel ligt.

Deze wetenschap zal alleen nooit het eindresultaat bepalen van de sportwedstrijden van de toekomst. Een sporter is geen lichamelijke formule van wie we kunnen weten dat hij op 6 juli 2024 de ploegentijdrit in de Algarve wint. Aanleg, geluk en een overstekende hond spelen ook een rol. Het gaat Van der Zwaard om die duizendste van een seconde die bepaalt of iemand wint, de reden waarom topsport is uitgevonden.

In samenwerking met de VPRO Gids

Advertentie

Reserveer bij bol.com

Jurryt van de Vooren
http://Sportgeschiedenis.nl
Jurryt van de Vooren is sporthistoricus. Auteur van 'Amsterdam 1928' en de Bosatlas van het Nederlandse voetbal. Bezig met boekenserie over Amsterdam en sport. Nog steeds de enige Amsterdammer die is afgestudeerd op Feyenoord.