Wielrennen

Verdwenen koersen: het Kampioenschap van Zürich

Door Ronnie van den Bogaart

Op het omvangrijke kerkhof van ter ziele gegane wielerkoersen vinden we ook het Kampioenschap van Zürich (1914-2006). Jan Janssen, Adri van der Poel, Johan van der Velde en Steven Rooks waren de Nederlandse winnaars. Lance Armstrong en Jan Ullrich werden samen niet minder dan vijf keer tweede.

Financiële problemen bij de organisatoren zijn er de oorzaak van dat het Kampioenschap van Zürich in 2006 voor het laatst verreden werd. In ieder geval voorlopig. Dat is jammer, want het Meisterschaft von Zürich – de Zwitsers hebben het zelf liever over Züri-Metzgete wat zoveel als ‘slachtpartij’ betekent – is een echte klassieker. De wedstrijd telde al jaren mee voor de Wereldbeker en later de Pro Tour, en daarvoor ook al voor het prestigieuze jaarklassement Super Prestige Pernod.

In 1988 verhuisde de wedstrijd van het voorjaar naar de nazomer. In 2005 en 2006 werd de koers in het najaar verreden, en dat leverde vanwege de abominabele weersomstandigheden inderdaad twee keer een soort van slagersbal op. Uitblinker in de boeiende en voorlopig laatste uitvoering was Fabian Cancellara, die in eigen land dezelfde rol vertolkte als in de laatste Ronde van Frankrijk. De rol van helper. Maar dan wel een zeer luxe helper, met een motor als van een Ferrari.

Thuisrijder Cancellara bracht in de stromende regen zijn CSC-ploegmaat Stuart O’Grady terug bij een select kopgroepje. De sterke sprinter O’Grady moest de rol lossen op de lastige hellingen zoals die van de Pfannenstiel, maar met hulp van de krachtmens Cancellara kon de Australiër toch weer opnieuw aansluiten. Alleen ging op datzelfde moment één vogel vliegen, de latere olympische wegkampioen Samuel Sanchez.

Samuel Sanchez won dan ook solo. Een half minuutje later was O’Grady inderdaad de snelste van de achtervolgers. Cancellara zelf werd nog vijfde, achter het altijd en overal aanwezige tweetal Davide Rebellin en Michael Boogerd. De veteraan Cristian Moreni van Cofidis werd zesde. Deze Italiaan werd in de Tour van 2007 heel even héél erg belangrijk gevonden omdat hij werd betrapt op het gebruik van testosteron. Inmiddels is hij alweer door iedereen vergeten.

Het begin

Het Kampioenschap van Zürich dateert al van 1914, uit de tijd dat de meeste wielrenners nog een snor droegen. Daarmee is deze klassieker veel ouder dan bijvoorbeeld de Omloop Het Volk, Gent – Wevelgem of de Waalse Pijl. In het hetzelfde jaar dat de verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog begon, waarin ook wielerkampioenen als Lucien Petit-Breton, Octave Lapize en François Faber de dood in werden gejaagd, won ene Henri Rheinwald in Zürich de eerste editie voor profs.

De eerste jaren was de wedstrijd vooral een Zwitserse aangelegenheid. Zoals de meeste klassiekers in die jaren nog vooral nationale aangelegenheden waren, uitzonderingen natuurlijk daargelaten. Een van die uitzonderingen was Heiri Suter. Hij was de bekendste van een handvol fietsende broers uit Zwitserland. Deze Suter won in 1923 als eerste buitenlander de Ronde van Vlaanderen, en verder onder meer Parijs – Roubaix, Bordeaux – Parijs en Parijs – Tours. In eigen land was hij zes keer de sterkste in het Kampioenschap van Zürich.

In ‘De Wielerklassiekers tot 2000’ van Fer Schroeders is een aardige anekdote opgetekend uit 1934. Dat jaar werd er volgens de overlevering op de Zwitserse wegen verschrikkelijk hard gereden. De juryleden waren dan ook nog niet geïnstalleerd toen een kopgroep van vijf renners over de finish stoof.

Navraag van de jury bij de koplopers leerde dat de bekende Zwitserse renner Paul Egli – hij was vaak goed op het WK – waarschijnlijk net voor zijn concurrent August ‘Güsti’ Erne over de finish was gekomen. Naar aanleiding van de getuigenverklaringen van de renners zelf werd vervolgens keurig de uitslag opgemaakt: 1. Paul Egli 2. August Erne 3. Alfred Bula 4. Alfred Malmesi en 5. Walter Blattmann.

Het Kampioenschap van Zürich was lange tijd vooral een Zwitserse aangelegenheid. Tussen 1914 en 1956 won er maar zes keer een buitenlander. Twee keer was dat de beroemde Italiaan Gino Bartali, in 1946 vóór zijn grote concurrent Fausto Coppi. Ook de Zwitserse kampioenen Ferdi Kübler en Hugo Koblet, de Tourwinnaars van 1950 en 1951, staan op de erelijst. Een nog piepjonge Jan Janssen was in 1962 de eerste Nederlandse winnaar. Het was ook meteen zijn eerste klassieke zege.

Vooral in de jaren zeventig kwamen de thuisrijdende Zwitsers er niet aan te pas. Hoewel van Eddy Merckx altijd wordt beweerd dat hij behalve Parijs – Tours alle klassiekers won, ontbreekt Zürich op zijn erelijst. In het spoor van Merckx waren zijn landgenoten in diens gloriejaren heer en meester in de eendagskoersen. Zo won in Zürich van 1969 tot en met 1976 ieder jaar een Belg.

Daarna waren de Nederlanders aan de beurt, met winst voor Adri van der Poel (1982) Johan van der Velde (1983) en Steven Rooks (1988). Van der Poel trouwens pas na deklassering van de Nieuw-Zeelander Eric McKenzie. Die dacht in 1982 in eerste instantie gewonnen te hebben, maar de dopingcontroleurs dachten daar heel anders over.

De Regensberg was in die jaren nog de belangrijkste hindernis. Toch kon het min of meer selectieve parkoers niet verhinderen dat de verschillen aan de streep niet altijd even groot waren, zoals in 1988. De wedstrijd was onder invloed van de UCI – die een betere seizoensspreiding wilde – verhuisd van begin mei naar eind augustus. Steven Rooks was kort na zijn succesvolle Ronde van Frankrijk (tweede en winnaar van de bolletjestrui) de sterkste.

Groot waren de verschillen wel een jaar eerder. De weersomstandigheden waren werkelijk verschrikkelijk. Uit het Wielerjaarboek: “De laatste klassieker van het voorjaarseizoen 1987 zal de geschiedenis ingaan als één van de zwaarste, natste en koudste klassiekers sinds mensenheugenis.” De West-Duitser Rolf Gölz won solo, vóór de ijzersterke Mexicaan Raul Alcala die opmerkelijk genoeg meestal op zijn best was in dit soort vooroorlogse omstandigheden. Van de 213 gestarte renners haalden er maar 29 de finish.*

Diezelfde Alcala won in 1992 een wat betreft het weer bijna even heroïsche Clasica San Sebastian. Als allerlaatste en moederziel alleen finishte die dag ene Lance Armstrong, die net prof geworden was en daar in het Baskenland zijn allereerste profkoers reed. Amper twee weken later werd Armstrong al tweede in het Kampioenschap van Zürich, achter zijn latere ploeggenoot Vjatsjeslav Jekimov.

Armstrong over die dag in zijn biografie: “Ik had weinig idee van wedstrijdtactiek. Ik zette mijn blik gewoon op oneindig en stampte door, en toen ik uiteindelijk op het podium stond voelde ik eerder opluchting dan dat ik in een juichstemming was. Goed, dacht ik, misschien ben ik hier toch wel goed in.” Als Armstrong na de desillusie van San Sebastian teleurgesteld terug naar de States was gevlogen, zoals hij aanvankelijk van plan was, had de wielergeschiedenis vanaf 1992 er mogelijk heel anders uitgezien…

Terend op zijn Tourvorm werd Armstrong tien jaar later nog eens derde in Zürich, maar winnen deed hij er nooit. Net zo min als Jan Ullrich trouwens, die er in slaagde om niet minder dan vier keer tweede te worden. In 2001 achter Paolo Bettini. In 2005 won de Italiaan opnieuw, en wel op indrukwekkende wijze.

Bettini zegevierde in de stromende regen op een manier die we de laatste jaren maar weinig meer gezien hebben. Na een succesvolle solo van bijna veertig kilometer en met drie minuten voorsprong op de tweede: Fränk Schleck. Het wedstrijdverslag vermeldt nog een fraaie vijfde plaats voor Samuel Sanchez, die een jaar later de (voorlopig) laatste winnaar werd van het Kampioenschap van Zürich.

Advertentie

Reserveer bij bol.com