Wielrennen

Wim van Est in de Ronde van Vlaanderen (deel 1)

Jarenlang was de Ronde van Vlaanderen vooral een Vlaamse aangelegenheid. De invoering van het internationale jaarklassement Desgrange – Colombo bracht daar vanaf 1948 verandering in. In 1953 werd Wim van Est de eerste Nederlandse winnaar.

Een ‘vreemde renner’ zou het nooit gemakkelijk hebben om de Ronde van Vlaanderen te winnen, meende stichter Karel van Wijnendaele. En inderdaad; van 1913 tot en met 1948 won er telkens een Belg, meer bepaald… een Vlaming! De Zwitserse kampioen Heiri Suter – winnaar in 1923 – was in de ogen van de chauvinistische ‘Kaorle’ slechts de uitzondering die de regel bevestigde.

Van Wijnendaele zag daarbij gemakshalve een klein detail over het hoofd. Namelijk dat renners van over de grens nauwelijks geïnteresseerd waren in de voornaamste van de Vlaamse koersen. De tweede plek van de Fransman Louis Thiétard in 1946 was pas de vijfde (!) podiumplaats van een ‘vreemde renner’, in de ruim dertigjarige historie van de Ronde van Vlaanderen. Het leek wel de huidige cyclocross.

Eén van die podiumplaatsen ging in 1931 naar de jonge Nederlander Cesar Bogaert, een getalenteerde renner uit Zeeuws-Vlaanderen, die dat jaar zomaar ineens tweede werd. Deze verrassende prestatie betekende een doorbraak in het Nederlandse wegwielrennen.

Desgrange – Colombo

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het nationale karakter van (vooral) de belangrijkste ééndagskoersen. De organisatoren van een aantal Franse, Italiaanse en Belgische wedstrijden – onder wie Van Wijndendaele zelf – hadden de koppen bij mekaar gestoken. In 1948 zou voor het eerst keer de ‘Desgrange – Colombo’ betwist worden. Een internationaal jaarklassement, genoemd naar de stichters van de Tour en van de Giro.

De Ronde van Vlaanderen maakte vanaf het begin deel uit van deze wedstrijdserie, in zekere zin een voorloper van de UCI World Tour. Tot dan toe was eigenlijk alleen de Ronde van Frankrijk een écht internationale wedstrijd. Maar eind jaren veertig stond er in Vlaanderen plotseling een legertje aan ‘vreemde patriotten’ aan de start. Zo ging in 1949 de winst naar de vroegkalende Italiaanse topcoureur Fiorenzo Magni.

De omvangrijke kopgroep van achttien renners bestond dat jaar nog vrijwel geheel uit Belgen. Maar, zoals Herman Chevrolet niet kon nalaten te vermelden in De Flandriens – Opkomst en ondergang van een wielersoort: “De eerste wedstrijdhelft werd volledig gedomineerd door buitenlandse renners.”

Cor Bakker

En onze Nederlanders? Grootheden als Gerrit Schulte en Theo Middelkamp – wereldkampioen op de weg in 1947 – lieten zich maar mondjesmaat zien, in wat we tegenwoordig de klassiekers noemen. Zij waren ‘broodrenners’, die in hun beste jaren op de baan en in de kermiskoersen nog flink meer konden verdienen dan in de belangrijkste wegwedstrijden.

Bovendien had de Ronde van Vlaanderen hier nog maar weinig status in die dagen. De zesde plek in van 1948 van Cor Bakker uit Zaandam mag bijzonder fraai genoemd worden. ‘IJzeren’ Briek Schotte won. Maar weinigen in ons land die wakker lagen van de verrichtingen in Vlaanderen van de pas onlangs overleden oud-renner.

Zo vond de krant De Waarheid het destijds niet nodig de naam van Bakker te vermelden in het wedstrijdverslag. Net zo min als die van Arie Vooren uit Beverwijk die negende werd. Wel vinden we in het verslag de namen van de Nederlanders Meynders en Lakeman in een groep van tien vroege vluchters. (‘Ze werden ingehaald in de buurt van Wolveghem’)

Ontembare strijdlust

En toen was daar Wim van Est! De renner uit Fijnaart was van eenvoudige komaf. Hij was één van de zestien kinderen van een dagloner, en pas laat prof geworden. In 1948 greep hij op de Cauberg (door pech) maar net naast de wereldtitel op de weg voor amateurs. Hij werd vierde in Valkenburg. Een loopbaan bij de beroepsrenners was voor Van Est een middel om aan de West-Brabantse armoede te ontsnappen.

Net als de vooroorlogse renners Schulte en Middelkamp, beiden nog altijd actief in die dagen, was Van Est natuurlijk een typische ‘broodrijder’. Maar wel één met fysieke kwaliteiten die bijzonder geschikt waren voor de zwaarste ééndagskoersen. Aart Aarsbergen en Peter Nijssen over Van Est in het goed gedocumenteerde Kampioenen twijfelen niet – Geschiedenis van de wielersport in 100 portretten:

“Een stijlvolle coureur was Wim van Est allerminst. Hij was eerder een krachtpatser, een stoemper. De Beul van ’t Heike was beresterk en knoestig gespierd, en werd gedreven door een ontembare strijdlust. Hij kon zich afbeulen als geen ander, vandaar ook dat hij uitblonk in lange zware wedstrijden als Bordeaux – Parijs of de Ronde van Vlaanderen, waar de elementen vaak een grote rol speelden.”

Nu wilde het in de Ronde van Vlaanderen, al wil de legende het graag anders, nog wel eens stralend lenteweer zijn. Zoals in 1949 toen Magni zijn eerste Ronde won. Maar een jaar later waren de omstandigheden zwaar; koude en regen, hagelbuien en vooral een stromachtige wind, allemaal in het voordeel van een krachtmens als Wim van Est…

Het tweede deel staat hier

Advertentie

Reserveer bij bol.com