NieuwWintersporten

Hubert Menten en de eerste bloeiperiode van de Nederlandse bobsleesport

Door ‘De zaak Menten’, de driedelige televisieserie van omroepvereniging MAX, is er sinds een jaar of twee weer volop aandacht voor oorlogsmisdadiger Pieter Menten. Over achternaamgenoot Hubert Menten oordeelt de geschiedenis positiever.

De bobsleeploeg van 1928. V.l.n.r.: J.H.P.F. Menten, H.L. Dekking, ir. J.P. Delprat, E.L. Teixeira de Mattos en C. van der Sandt

Door Bert Roosien

Hubert Menten was een vermaard voetballer en cricketer. Verder werden hij en zijn Haarlemse sportvrienden Europees kampioen in het bandy. Maar bovenal was hij de onomstreden peetvader van de Nederlandse bobsleesport. Ook op Huberts oorlogsverleden is echter het nodige aan te merken.

Menten werd geboren op 12 september 1873 in Muntok op het eiland Banka, ten oosten van Sumatra. Zijn vader was de ontdekker van het grootste aardolieveld in Nederlands-Indië en had hiermee via slimme, lucratieve zakentransacties een aanzienlijk familiekapitaal opgebouwd.

Terend op de riante olie-royalties leefde het gezin – vader, moeder, dochter en de drie zoons Hubert, Otto en Emile – in grote welstand.

Bondselftal KNVB

Nadat de Mentens naar Nederland waren teruggekomen, vestigden ze zich in Haarlem. Hubert en zijn broer Otto, beiden enthousiaste sporters, sloten zich omstreeks 1890 aan bij de Haarlemsche Football Club, de vereniging die nu beter bekend is als de Koninklijke HFC. Hier vielen ze al direct op door hun goede spel. Drie keer werden zij met deze club Nederlands kampioen. En hoewel het nog ruim tien jaar zou duren voordat in 1905 de eerste Nederlandse voetbalinterland zou worden gespeeld en Hubert Menten dus nooit officieel international werd, deed hij wel mee in het zogenaamde bondselftal, de voorloper van Oranje. Zo speelde Hubert op 6 februari 1894 mee toen dit team in zijn eerste wedstrijd uitkwam tegen het Engelse Felixstowe FC. De Nederlanders verloren overigens met 0-1.

Dat hij heus een aardig balletje kon trappen, bewijst een artikel uit het tijdschrift De Revue der Sporten uit 1936, waarin Hubert Menten ‘in die jaren de schitterendste voetballer van ons land’ genoemd werd. Veertig jaar na zijn actieve voetballoopbaan bleek men hem dus nog steeds niet vergeten.

Een van zijn vroegere HFC-teamgenoten, de bekende sportpionier Pim Mulier, geeft in een terugblik op zijn voetbalcarrière een bloemrijke omschrijving van het spel van de oudste van de Mentens. ‘Hubert was een rots in de zee, alles strandde er op, een puike half-back, want onvermoeid wist hij zowel te verdedigen als zijn voorhoede te voeden. Soms waren er momenten, als we opdrongen, dat ik een goal van Hubert hóórde komen. Dan begon hij te brommen en te mompelen, als ‘n jungle-geluid kwam het nader, dan loerde hij vanaf een 25 pas achter de voorhoede en dan opeens… pang, kwam er een kogel en boekten we een extra goal, gaaf en puik, keihard en onverwacht, tussen alle tegenstanders dóór gepietheind, steeds een overrompeling. Voor mij was ‘t dan géén verrassing. Ik hoorde ze altijd annonceren’.

Het Bondselftal van 1894.  Doelverdediger: S.W. Tromp (HFC), rechtsachter: N.J. Kampers (RAP), linksachter: K. Ples (HFC), rechtsmidden: J.W.F v.d. Bosch (HVV), spil: H. Menten (HFC), linksmidden: J.C. Schröder (RAP), rechtsbuiten: F. Ph. Kampschuur (Sparta), rechtsbinnen: J.B. Kan (Victoria R’dam), middenvoor: J.A.M. Timmermans (Sparta), linksbinnen: L. Weinthal (Sparta), linksbuiten: J.H. Meyer (HFC)

Cricket en bandy

Hubert Menten was niet alleen een goede voetballer, ook bij het cricket was hij een van de besten van Nederland. Hij speelde bij Rood en Wit op het hoogste niveau en was vooral een prima batsman. Samen met zijn broer Otto, zijn vaste teamgenoot bij de meest uiteenlopende sporten, hield hij vele jaren lang het Nederlands record voor de hoogste eerste wicketstand in de eerste klasse, namelijk 190 runs, waarvan voor Hubert een century not out.

Verder was hij ook een heel verdienstelijk zwemmer, hardloper, schaatser en bandyspeler.
Bandy, een wintersport die met name in de Scandinavische landen en Rusland nog steeds erg populair is en die in 1952 in Oslo als zogenaamde demonstratiesport deel uitmaakte van het olympisch programma, kan worden beschouwd als de voorloper van zowel hockey als ijshockey.

Pim Mulier had bandy vanuit Engeland in Nederland geïntroduceerd en toen de nog tamelijk onbekende sport in 1904 in Davos zijn eerste Europese Kampioenschap (voor clubteams) kende, was ook bandyclub ‘Haarlem en Omstreken’ van de partij, met – hoe kan het ook anders – Hubert en Otto Menten in de gelederen. Andere spelers waren o.a. J. Lieftinck, Alexander Diemer Kool, de gebroeders Eldering en de jonkheren Van der Poll, Schorer en Hector van Coehoorn van Sminia.

Kampioen werd dat jaar het Engelse Princess Bandy, dat voor de Nederlandse afvaardiging duidelijk een maatje te groot bleek. Maar in januari 1905 kwamen Hubert en zijn bandyvrienden gelouterd naar Davos terug en toen slaagden zij er wèl in om de Europese titel te pakken.

De bobsleesport als nieuwe liefde

In dezelfde periode als het bandytoernooi was er in 1904 in Davos ook een bobsleewedstrijd om de Manchester Cup. Spontaan besloten de Haarlemse sporters ook hieraan mee te doen. Met een gelegenheidsteam van Van Coehoorn van Sminia, Charles, Van der Poll en Diemer Kool werden de Nederlanders in een veld van 16 teams knap 7e. ‘De Haarlemmers werden zeer gelukgewenst met hun verrichting,’ meldde Het Algemeen Handelsblad van 20 januari.

Die wedstrijd was voor Hubert Menten de eerste kennismaking met de bobsleesport. Het was liefde op het eerste gezicht.

Bobsleeën sprak in die tijd erg tot de verbeelding. Er was dan ook geen andere tak van sport waarin zulke hoge snelheden werden bereikt. De bobsleesport van toen had een imago dat nog het best te vergelijken is met de Formule 1 van nu. Een sport voor mannen met lef, enerverend en vol risico. En hoewel de meeste uitslagen van bobsleewedstrijden de Nederlandse pers niet haalden, werden de ernstige ongelukken tijdens het bobben daarentegen breed uitgemeten.

Dat Hubert Menten ook in de bobsleesport prima resultaten moet hebben geboekt, blijkt wel uit de spaarzame berichten in de vaderlandse kranten. Zo repte Het Nieuws van den Dagvan 2 februari 1909 over een bobsleerace in Davos om de Preussen Beker, waar Hubert Menten in een bob met sporters van verschillende nationaliteiten de derde plaats behaalde. Veelzeggend was hierbij het commentaar van de krant: ‘Menten was niet op zijn best…’

In 1911 waren Hubert en Otto Menten met hun tweepersoonsslee slachtoffer van een ernstig ongeval, maar blijkbaar was dat nog geen reden om hun bob-activiteiten op een laag pitje te zetten, want in februari 1912 berichtte Het Nieuws van den Dag dat de beide broers met hun slee Haarlemia in Davos een nieuw record gevestigd hadden.

In januari 1913 meldde Het Algemeen Handelsbladeen nieuwe crash. Hierbij was Otto ernstig geblesseerd geraakt aan het onderbeen, terwijl Hubert en een andere passagier, freule Van Benthem van den Berg, gebroken benen zouden hebben opgelopen. Later bleken de kwetsuren weliswaar nog mee te vallen, maar voor Otto was het ongeluk wel de aanleiding om het bobsleeën vaarwel te zeggen. Zijn broer bleef de bobsport echter trouw.

Met het deelnemen aan wedstrijden hielden Huberts bobslee-activiteiten niet op. Hij onderscheidde zich ook als bestuurslid, geldschieter en coach. Elk jaar was er de strijd om de zogenaamde Holland Beker, waarvoor hij zelf de fraaie wisselbokaal ter beschikking had gesteld. Verder was Menten, die inmiddels ook in Zwitserland was gaan wonen, vele jaren voorzitter van de plaatselijke bobsleeclub. In 1927 schonk hij maar liefst 30.000 Zwitserse frank om de Schatzalpbaan van Davos te renoveren en veiliger te maken.

De voorbereiding op de Winterspelen

Toen de Olympische Winterspelen van Sankt Moritz hun schaduw vooruit wierpen, vond Menten dat ook ons land met een bobteam zou moeten deelnemen. Dat dit daadwerkelijk gelukt is, was geheel zijn verdienste.

Eerst deed hij een dringende oproep aan goede Nederlandse bobbers om zich bij hem te melden. Weliswaar kwam hierop maar één enkele aanmelding, die van stuurman Curt van de Sandt, maar gelukkig kende Menten zelf nog wel een aantal andere gegadigden. Voormalig Laga-roeier Paul Delprat werd de vaste middenman van het team. Voor de resterende plaats of plaatsen – de teams mochten namelijk zelf weten of ze met vier of vijf man van start zouden gaan – kwamen diverse Nederlandse bobbers in aanmerking.

Tegelijkertijd liet Hubert Menten bij de vermaarde bobsleeconstructeur Hartkopf een gloednieuwe bobslee bouwen. Deze slee, gebouwd naar de laatste technische inzichten, kreeg de naam Trompen werd in opdracht van Menten geheel oranje geschilderd. Zijn oude slee, die inmiddels was omgedoopt in De Ruyter, kreeg de kleuren rood en wit en werd in reserve gehouden.

Nu moest er een nationale bobsleebond worden opgericht. Dat gebeurde uiteindelijk op 20 januari 1928, toen in Amsterdam de Nederlandsche Bobsleigh Club Davos het licht zag. Hubert Menten werd vanzelfsprekend voorzitter.

Tijdens de voorbereiding op de Winterspelen bleek het Nederlandse bobsleeteam een ploeg om terdege rekening mee te houden. Zo wonnen Van de Sandt, Menten en Delprat, met Van Randwijck als vierde man, de wedstrijd in Laret-Klosters om de Coupe de France.

Eisen NOC

Het Nederlands Olympisch Comité moest nog wel zijn toestemming voor deelname aan de Spelen geven, want ook toen al gold dat er voor uitzending een redelijk kans op succes moest zijn. Dat oordeel werd uiteindelijk gebaseerd op een vragenlijst die de bobbers moesten invullen. Het ‘strenge’ NOC wilde antwoord op de volgende vragen: Wat is uw juiste lengte en gewicht (gekleed)? Op welke banen heeft u reeds de bobsport beoefend en in welke hoedanigheid? Als stuurman, als remmer of als middenbemanning? Welke prijzen zijn door u gewonnen en waar? Na de antwoorden van de bobbers was het NOC geheel overtuigd.

Met name Curt van de Sandt (‘Lengte 1.80 m., gewicht 85 kg. Heeft gereden op Schatzalp, Klosters, Preda-Bergün en Sankt Moritz. Begon in 1909 als remmer. Sinds 1910 stuurman. Won in 1914 de belangrijkste bekers van dat jaar. Maakte het nu nog bestaande record van 3 minuten en 5 seconden op de Schatzalpbaan. Won in 1922 wederom enige bekers en maakte de snelste tijd van het seizoen’) kwam met overtuigende resultaten.

Maar ook Paul Delprat (‘Won vele prijzen, lengte 1.90 m., gewicht 103 kilo – een enorm voordeel op de baan van St. Moritz!’), Hubert Menten (‘Lengte 1.75 meter, gewicht 82 kilo, remmer, won 22 eerste, 13 tweede en 16 derde prijzen’), Albert Lévy Themans (‘Beoefent sinds 5 jaren de bobsport, nu eens als remmer, dan weer als stuurman, verschillende prijzen’) en Henri Dekking (‘Beoefent de bobsport slechts één winter, maar al wel vier maanden achtereen’) voldeden ruimschoots aan de criteria van het NOC.

Op de valreep vond er nog een wijziging in de teamsamenstelling plaats, toen Lévy Themans zich enige dagen voor de Spelen als gevolg van een wilde staking van het personeel van zijn fabriek moest terugtrekken. Hij werd vervangen door jonkheer Edwin Teixeira de Mattos.

Met dit team maakte ons land uiteindelijk zijn olympische bobsleedebuut. Ondanks een fikse handblessure van Van de Sandt werd in een veld van 23 teams een keurige 12e plaats behaald.

Ten tijde van de Spelen van Sankt Moritz was Hubert Menten 54 jaar en 158 dagen oud. Daarmee is hij tot op heden nog steeds de oudste deelnemer bij het onderdeel bobsleeën.

De periode 1928-1936

Na 1928 raakte voor Hubert het zelf meedoen aan wedstrijden meer en meer op de achtergrond. Zijn verdiensten voor de vaderlandse bobsleesport bleven echter onverminderd groot. Ieder jaar bezocht hij de congressen van de overkoepelende internationale bobsleebond. Verder stond hij als coach en scout van nieuw talent Nederlandse bobsleeërs terzijde. Zo drong hij er in 1929 bij Evert van der Pol en Piet Metzelaar op aan om samen te gaan bobben. Weliswaar maakte Metzelaar dat jaar pas zijn debuut als bobsleeër, maar bij beiden herkende de ervaren Menten ‘een grote dosis moed en behendigheid’. Zijn gelijk zou spoedig blijken, want nadat Hubert de begeleiding van het tweetal op zich had genomen en nadat op zijn advies de stand van de ijzers van de slee iets was aangepast, werden Van der Pol en Metzelaar prompt Europees kampioen. Het tweede Nederlandse duo, Van de Sandt en Beckers, werd vierde.

Ook in de jaren dertig was Hubert Menten nog steeds de drijvende kracht achter de Nederlandse bobsleebond. Hij betrok vliegtuigfabrikant Fokker bij het ontwerpen en bouwen van nieuwe bobs en hij stimuleerde de aanwas van nieuw talent, zoals het duo Pieter Blaisse en Jan Hazewinkel (andere bronnen hebben het over Jan Hasewortel), die in 1935 tijdens het wereldkampioenschap voor studenten een eervolle tweede plaats behaalden.

Toen ons land in 1936 met een recordaantal van acht bobbers inschreef voor de Olympische Spelen van Garmisch-Partenkirchen was veteraan Hubert Menten een van hen. De anderen waren Evert van der Pol, Henri Dekking, Piet Metzelaar, Hein Bulten, Willem Gevers, Sam Dunlop en reserve W. van de Pol. Van de tien man die halverwege januari naar het trainingskamp in St. Moritz waren afgereisd, waren Van Loon en Dolf Burgerhout afgevallen. Gezien zijn leeftijd van 62 jaar beperkte Menten zijn eigen rol nu wijselijk tot die van ‘non-playing captain’.

Al voor het begin van het olympische bobtoernooi was er een bittere pil voor Hubert Menten en zijn sporters. Na een ongeluk tijdens de training, waarbij drie van de vier Nederlanders geblesseerd raakten, moest de viermansbob van Evert van der Pol zich noodgedwongen terugtrekken. Gelukkig kon de tweepersoonsbob van baron Willem Gevers en Sam Dunlop wel starten. Met een 10e plaats boekten zij de beste klassering ooit van een Nederlands mannenteam op de Olympische Spelen.

Duister oorlogsverleden

Hubert Menten was inmiddels verhuisd naar Berlijn en verdiende daar een goede boterham als kunsthandelaar. Hij was altijd al een tikkeltje excentriek geweest en naarmate zijn leeftijd vorderde, werd dat erger. Als verzamelaar en liefhebber van oosterse kunst deed hij nu zaken onder de naam Abu Ali. Zijn verkoopactiviteiten beperkten zich niet tot oosterse kunst, ook voor de handel in Nederlandse meesters draaide hij zijn hand niet om.

In politiek opzicht had Menten hoge verwachtingen van het nationaalsocialisme. Hij financierde de publicatie van nazi-geschriften en deed zaken met de kring rond Hermann Göring. Zijn toch al goede reputatie bij de Duitse machthebbers werd nog beter toen hij Adolf Hitler enige schilderijen cadeau deed.

De rest van de familie Menten deelde Huberts voorkeur voor de ideologie van Hitler en zijn kompanen niet. Integendeel. Dat bleek met name tijdens de Duitse bezetting van ons land. Huberts broers Otto en Emile woonden nog altijd in Nederland en zij streden tegen de Duitse overheersing. Beiden gaven financiële steun aan het verzet, Emile zelfs op zeer grote schaal. De jongste van de Menten-broers had op latere leeftijd gekozen voor een carrière in de bankwereld, maar had daarvoor jarenlang gewerkt in de diplomatieke dienst. Hij had goede contacten met het Koninklijk Huis. Toen Lode van Hamel eind 1940 vanuit Londen als eerste spion in Nederland werd gedropt met de bedoeling om het verzet verder op poten te zetten, had deze zelfs een brief voor Emile bij zich van prins Bernhard, waarin hem nadrukkelijk om steun werd gevraagd.

Verder was Emile Menten lid van het zogenaamde ‘Nationaal Comité’, een groepje invloedrijke, ‘goede’ Nederlanders, die na de alom verwachte Duitse nederlaag het voorlopige gezag moesten vormen tot de koningin en de regering in ballingschap die taken weer konden overnemen.

Toen Otto en Emile met hun verzetswerk tenslotte tegen de lamp liepen, werden zij opgepakt door de Duitsers. Een zware straf dreigde, mogelijk zelfs het vuurpeloton. Vanuit Berlijn deed Hubert alles wat mogelijk was om zijn broers vrij te krijgen. Want al verschilden de Mentens van politieke opvatting, Hubert nam zijn rol als pater familias zeer serieus en wilde niks liever dan Otto en Emile het leven redden. Daarom zocht hij contact met hooggeplaatste nazi’s als Martin Bormann en Heinrich Himmler.

Zijn lobby had succes. Vanuit het Duitse hoofdkwartier in Berlijn ging er tenslotte een brief naar Rauter – de hoogste SS-vertegenwoordiger in Nederland – waarin namens Himmler nog eens nadrukkelijk werd gewezen op ‘de grote verdiensten van Hubert Menten voor het Derde Rijk’ en werd verzocht om zijn broers slechts mild te straffen. Als resultaat van Himmlers interventie bleven Otto en Emile nog wel gevangen zitten, maar van het vuurpeloton was geen sprake meer. Ze werden nu ook goed behandeld. Aan het eind van de oorlog werden ze vrijgelaten, Emile omdat hij een ziekte simuleerde en Otto omdat hij daadwerkelijk een hartkwaal had.

Na de oorlog stelden de geallieerden een onderzoek in naar Hubert, maar vervolging bleef uit. Zaken doen met de vijand en het financieren van nazipropaganda bleken niet ernstig genoeg om hem langdurig op te sluiten.

Op 8 mei 1964 kwam er in Zürich (Zwitserland) een einde aan het leven van de man die zoveel heeft betekend voor het vooroorlogse Nederlandse bobsleeën. Hij werd 90 jaar.

Naschrift

Oorlogsmisdadiger Pieter Menten en de ‘olie-Mentens’ van Hubert waren weliswaar geen familie, maar gek genoeg was daar lang onzekerheid over. De doortrapte bedrieger Pieter was er namelijk in geslaagd om zich met zóveel sluwheid in de kringen van Hubert, Emile en de anderen in te dringen, dat zelfs zij er heilig van overtuigd waren dat hij werkelijk een neef of een ‘half-neef’ was. Pieter Menten had dit bereikt door de familie herhaaldelijk te bezoeken, berichten over te brengen en zich te ontwikkelen tot een kenner van de familiegeheimen. Tijdens de detentie van Otto en Emile was er daarom het verzoek aan Pieter dat ook hij zijn contacten met belangrijke nazi’s in zou schakelen om de beide broers vrij te krijgen. Uiteindelijk deed Pieter dat ook, maar wel op voorwaarde dat Hubert en de anderen hem dan officieel als een lid van hun familie zouden erkennen.  

Het waren journalisten van Het Vrije Volk die in 1978 ontdekten dat de vermeende familieband volledig uit de lucht was gegrepen.

Advertentie

Reserveer bij bol.com